Tuchtklacht Vie d’Or tegen Deloitte

Uit het boek “Accountants in de fout”

 

Zaaknummer 1999-10
Datum klacht 17 februari 1995
Uitspraak Raad van Tucht 10 april 1997
Uitspraak College van Beroep 3 december 1998
Klacht levensverzekeraar Vie d’Or heeft geen juiste administratie; in de toekomst verwachte winsten worden al in de jaarrekening opgenomen
Belang klager ƒ 180 miljoen
Maatregel drie berispingen voor Deloitte.

In 1985, kort nadat in Nederland een levensverzekeringsmaatschappij met de weidse naam De Wereld ten onder is gegaan, wordt een nieuwe levensverzekeringsmaatschappij opgericht onder de naam Leven Van Goud, maar om het nog wat zonniger te maken op zijn Frans. Een prachtige naam die doet denken aan de Amerikaanse joint venture van het voormalige RSV-concern die onder de naam MMWOPAS Inc. (Making Money While Other People Are Sleeping) de Nederlandse moedermaatschappij voor honderden miljoenen guldens heeft leeggezogen.
De verzekeringspolissen van het Gouden Leven worden via tussenpersonen afgesloten. Vie d’Or ontvangt de premies soms van de polishouders en soms van de tussenpersonen.
Levensverzekeraars zijn vaak sterk afhankelijk van dergelijke tussenpersonen. Deze verzekeraar is echter ook bijzonder afhankelijk van de directeur, want die leent al het personeel uit aan de verzekeraar. De Verzekeringskamer heeft deze situatie feitelijk goedgekeurd.
Tussenpersonen worden door verzekeraars vaak ruimschoots in de watten gelegd. Zo ook hier, in 1989 betaalt Vie d’Or ƒ 10,5 miljoen uit aan een van de grootste tussenpersonen. De betaling wordt niet rechtstreeks gedaan, maar aan een Arubaanse vennootschap die eigendom is van die tussenpersoon. De betaling wordt in de jaarrekening niet als kostenpost opgenomen, maar geactiveerd onder het motto ’provisie voor productontwikkeling’. In feite wordt het resultaat daarmee ƒ 10,5 miljoen voor belasting te hoog weergegeven. Nu, de tussenpersonen werken er wel voor, want het verzekerd kapitaal stijgt in 1989 van ƒ 110 miljoen tot ruim ƒ 2 miljard. Het Gouden Leven is duidelijk een groeifonds.
In hetzelfde jaar 1989 sluit Vie d’Or een herverzekeringscontract met een ‘herverzekeraar’. Afgesproken wordt dat de herverzekeraar een deel van de winst die hij in de verre toekomst met dit contract hoopt te realiseren te zijner tijd aan Vie d’Or zal uitkeren. Er wordt al een bedrag genoemd en zelfs gegarandeerd (ƒ 13 miljoen). Gemakshalve neemt Vie d’Or dit bedrag alvast in het resultaat 1989 op. In totaal is het optisch resultaat over 1989 dus kunstmatig met ƒ 23,5 miljoen opgekrikt.
In 1991 sluit Vie d’Or wederom een herverzekeringscontract met een ‘herverzekeraar’. Voor de resultaatbepaling van hetzelfde laken een pak. Omdat het volume der zaken inmiddels is gegroeid, wordt een bedrag van ƒ 13 miljoen niet meer als passend beschouwd. Er wordt ƒ 18,5 miljoen als vordering op de ‘herverzekeraar’ in de balans opgenomen. Tegelijkertijd wordt voor hetzelfde bedrag een voorziening (egalisatierekening) in de balans opgenomen. Ruime voorzieningen in de balans van een verzekeraar wekken een betrouwbare indruk op de buitenwereld. Hoewel door deze combinatie van boekingen het resultaat niet is verhoogd, is wel weer een nieuwe niet-bestaande debiteur van ƒ 18,5 miljoen in de boeken opgenomen.
Binnen de organisatie is weinig functiescheiding aanwezig. Ook houdt Vie d’Or geen sluitende administratie van de rekening-courantverhouding met de tussenpersonen bij. Omdat die tussenpersonen ook premies voor Vie d’Or innen, heeft deze administratieve tekortkoming als gevolg dat zelfs elementaire controle onmogelijk is. Zonder die administratie is de jaarrekening niet goed te controleren en kan dus al helemaal geen goedkeurende verklaring worden afgeven.
Voor Deloitte is dit geen probleem. Dit wereldbureau keurt alle jaarrekeningen 1989 t/m 1992 van Vie d’Or goed, ook de jaarrekeningen waarbij twee bellen lucht van respectievelijk ƒ 13 miljoen en ƒ 18,5 miljoen in de balans geactiveerd worden.
In 1992 leent Vie d’Or miljoenen guldens aan de directeur. Begin 1993 is de lening opgelopen tot ƒ 11 miljoen. Op aandringen van de accountant lost de directie dan ƒ 5,5 miljoen af. Vrijwel tegelijkertijd neemt de directeur echter weer een nieuwe lening van ƒ 1,5 miljoen op. Deloitte is zo vriendelijk om wel de aflossing in de jaarrekening 1992 te vermelden, maar de nieuw opgenomen lening te verzwijgen.
In 1992 start Vie d’Or met het opzetten van een rekening-courantadministratie met de tussenpersonen. Deze administratie is eind 1992 nog niet gereed. Toch keurt Deloitte de jaarrekening 1992 goed. Deze toont een verlies van bijna ƒ 12 miljoen.
In december 1993 grijpt de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) eindelijk in en benoemt een bewindvoerder. Deze geeft de forensische accountants van KPMG opdracht te onderzoeken hoe de externe accountants van Vie d’Or hebben gefunctioneerd. Dit is een van de eerste keren een dat de forensische accountants van KPMG in de ring stappen en ze doen hun werk dan nog goed. In december 1994 rapporteert KPMG dat het resultaat en het vermogen in de jaren 1989 tot en met 1992 te gunstig zijn voorgesteld en dat met name de jaarrekeningen 1989 en 1992 ten onrechte zijn goedgekeurd. Bovendien hebben de externe accountants de Raad van Commissarissen onvoldoende geïnformeerd over de aanwezige belangenverstrengelingen.

In februari 1995 dient de stichting die de belangen van 11.000 voormalige polishouders behartigt een tuchtklacht in tegen drie vennoten van Deloitte die zich hebben beziggehouden met de controle en de goedkeuring van de jaarrekeningen. Terwijl de klacht loopt, gaat Vie d’Or in december 1995 failliet.

De behandeling van de klacht is uitgebreid te noemen. De Raad die deze zaak behandelt bestaat niet uit drie leden, zoals gebruikelijk, maar uit vijf. De voorzitter is ook niet raadsheer bij een gerechtshof, maar bij de Hoge Raad der Nederlanden. De Raad verricht in maart 1996 een dossieronderzoek op het kantoor van Deloitte (in de laatste tien jaar is een dergelijk onderzoek slechts enkele malen uitgevoerd). De Raad wijdt twee zittingen aan de zaak in plaats van een, zoals gebruikelijk.
De klacht is omvangrijk, maar zeker niet nodeloos omvangrijk. De klager, althans de advocaat, heeft zich tactisch beperkt tot de jaarrekeningen 1989 en 1992. Er wordt helder onderscheid gemaakt tussen de ondeugdelijke controle enerzijds en de onjuistheid van de jaarrekeningen anderzijds. De bezwaren tegen de controle hebben betrekking op de rekening-courantverhoudingen met de tussenpersonen en op de provisies die aan de tussenpersoon zijn betaald voor ‘productontwikkeling’. De gebreken in de jaarrekening hebben betrekking op de verwerking van het ‘herverzekeringscontract’ en de ‘provisie voor productontwikkeling’ dus op de beide posten die in 1989 tezamen het resultaat met ƒ 23,5 miljoen hebben verhoogd.
Met betrekking tot de jaarrekening 1992 wordt in de klacht ook gesteld dat de leningen aan de directeur via zijn privé-vennootschappen onjuist in de jaarrekening zijn opgenomen.
Een ander onderdeel van de klacht houdt in dat betrokkenen een misleidende brief aan de Verzekeringskamer hebben gestuurd. Daarnaast gaat de klacht in op het feit dat de Raad van Commissarissen onvoldoende werd geïnformeerd over de leningen aan de privé-vennootschappen van de directie, de twijfels omtrent provisie-overeenkomsten met de bedrijfsleiding, de grote verwevenheid met de administratie van verschillende privé-vennootschappen van de directie en de grote gebreken in administratieve organisatie in het algemeen.
Zoals te doen gebruikelijk maakt Deloitte van de ontvankelijkheid een groot theater. Betrokkenen brengen allereerst naar voren dat de Raad van Tucht niet de aangewezen instantie is om als eerste een oordeel te geven over de juistheid van de jaarrekeningen. Er wordt naar de Ondernemingskamer gewezen. ‘De Raad verwerpt de stelling. Het enkele feit dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de artikelen 999 en volgende voorziet in een bijzondere jaarrekeningprocedure voor de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam, brengt niet mee dat de tuchtrechter in verband met een tegen een registeraccountant gerichte klacht slechts dan zou kunnen oordelen over de vraag of een jaarrekening terecht van een goedkeurende verklaring is voorzien indien de Ondernemingskamer een uitspraak over de jaarrekening heeft gedaan’, is het oordeel van de Raad.
Betrokkenen stellen ook dat de Raad, alvorens uitspraak te doen, werknemers van de Verzekeringskamer moet horen, omdat die kunnen bevestigen dat betrokkenen telkens aan de bezwaren van de Verzekeringskamer tegemoetgekomen zijn. De Raad is zo vriendelijk deze stelling op te vatten als een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs. De Raad passeert dit aanbod, omdat niemand die stelling betwist, zodat geen bewijs meer geleverd hoeft te worden.

De Raad van Tucht oordeelt over de afwezigheid van de rekening-courantadministratie met de tussenpersonen: ‘Hierdoor kon de controlerend accountant niet beschikken over adequate informatie omtrent de rekening-courantverhoudingen met de afzonderlijke tussenpersonen en de rechten en verplichtingen jegens de polishouders. Tevens verhoogde de gebrekkige organisatie het risico dat bepaalde contracten en polissen in het geheel niet in de administratie zouden worden opgenomen. Deze gebreken konden niet worden opgeheven door de aanvullende controlewerkzaamheden die betrokkenen stellen te hebben uitgevoerd. Dit geldt in het bijzonder voor het risico op geheel buiten de administratie gelaten contracten en polissen.’
Betrokkenen hebben in zoverre pech dat de forensische accountants kennelijk een brief van betrokkenen hebben gevonden waarin is vermeld dat er een werkgroep is ingesteld die uiterlijk voor 30 september 1993 de rekening-courantverhoudingen met de tussenpersoon zal uitzoeken en afstemmen. Deloitte wist dus dat de administratie een rommeltje was en heeft desondanks jaarrekeningen goedgekeurd. Tegen zo’n ‘smoking gun’ lijkt geen kruid gewassen, ware het niet dat er nog zoiets bestaat als het roemruchte axiomatisch voorbehoud. Dat wordt door de Raad afgewezen, omdat dit geen argument is om aanwezige risico’s niet te zien.
De betaling van ƒ 10,5 miljoen aan de Arubaanse vennootschap wordt door de Raad aangeduid als een betaling ‘met een bijzonder karakter’ wegens de hoogte van het bedrag en omdat dit ten goede kwam aan een belangrijke tussenpersoon in Nederland. De accountant had het zakelijke karakter moeten onderzoeken, althans de Raad van Commissarissen van deze betaling op de hoogte moet stellen. De enkele vermelding in de jaarrekening is volgens de Raad onvoldoende.
Met betrekking tot het eerste herverzekeringscontract acht de Raad de toelichting onvoldoende. Bovendien acht de Raad de boeking op zichzelf onjuist. Die is in strijd met het matching-beginsel, doordat eerst de inkomsten uit het contract worden verwerkt en de uitgaven pas jaren later. Betrokkenen verdedigen zich met het argument dat de Verzekeringskamer de gevolgde presentatie heeft goedgekeurd (weer rijst de vraag: wat heeft een accountantsverklaring voor toegevoegde waarde?). De Raad van Tucht oordeelt dat de Verzekeringskamer gelet op haar toezichthoudende taak in de eerste plaats het oog heeft gehad op de feitelijke solvabiliteit van Vie d’Or.
Volgens de Raad is de mededeling omtrent de aflossing door de directeur van de lening aan de vennootschap misleidend. De schuld van de privé-vennootschappen was immers niet teruggelopen met ruim ƒ 5,5 miljoen maar met ongeveer ƒ 4 miljoen, omdat de directeur weer een nieuwe lening had opgenomen. Gezien het belang van deze post, had de accountant niet akkoord mogen gaan met deze vermelding. De accountants verdedigen zich door te stellen dat de mededeling omtrent de aflossing op zichzelf niet onjuist was. Ook brengen zij naar voren dat de vermelding van de aflossing niet verplicht was.
De Raad erkent de juistheid van die stelling, maar dat doet aan het misleidende karakter niet af. ‘In het onderhavige geval zou het achterwege laten van de mededeling zelfs te prefereren zijn geweest’, aldus de Raad.
Ook het klachtonderdeel dat de Raad van Commissarissen onvoldoende op de hoogte is gehouden wordt gegrond verklaard, evenals het klachtonderdeel omtrent de misleidende brief aan de verzekeringskamer, waarin was gesteld dat de privé-vennootschappen van de directie ƒ 5,5 miljoen hadden afgelost. Slechts één klachtonderdeel is afgewezen, het inderdaad wel erg vaag aangeduide ‘geheel van de toegepaste grondslagen’.
De Raad komt tot de slotsom dat de klacht gegrond is dat de controle van de jaarrekeningen 1989 en 1992 niet tot goedkeurende verklaringen hadden mogen leiden.
In een uitgebreide motivatie van de strafmaat overweegt de Raad het gewicht van de misslagen, het grote maatschappelijk belang van de zaak en de omstandigheid dat bij controle van een verzekeringsmaatschappij bijzondere zorgvuldigheid van de accountant mag worden verlangd, gezien het vertrouwen dat grote aantallen particuliere polishouders aan de jaarrekening ontlenen. Anderzijds heeft de Raad in aanmerking genomen dat betrokkenen in verband met de ondergang van Vie d’Or regelmatig op negatieve wijze in het nieuws zijn geweest. De Raad legt een schriftelijke berisping op.

Betrokkenen gaan in beroep en maken wederom bezwaar tegen de ontvankelijkheid van klager. Ook herhaalt Deloitte dat de Verzekeringskamer gehoord had moeten worden. De klacht had volgens Deloitte betrekking op de controle van de rekening-courant met de tussenpersonen, terwijl de Raad dit vertaald heeft in de vraag of de administratie controle van die rekening-courant mogelijk maakte. (Men moet wel een scherpe blik bezitten om hiertussen nog relevant verschil te kunnen zien). Ook zou de Raad verzuimd hebben aan te geven welke normen zijn overtreden en onder welke omstandigheden de rapporten van de forensische accountants tot stand zijn gekomen. En voorts natuurlijk de stelling dat alles juist is toegegaan en in orde was. Deloitte had naar eigen zeggen niet hoeven na te gaan of de betaling van ruim ƒ 10 miljoen gulden aan de tussenpersoon een zakelijke betaling was.
Ook het College wijst erop dat een jaarrekeningprocedure bij de Ondernemingskamer over de jaarrekening gaat en niet over het gedrag van de accountant. Deze bezwaren van betrokkenen worden door het College naar de prullenmand verwezen. Het bezwaar bijvoorbeeld dat de Raad van Tucht buiten de oorspronkelijke klacht is getreden wordt afgewezen, omdat het van meet af aan duidelijk is geweest welke bezwaren tegen de accountants gerezen waren en dat bovendien de Raad van Tucht de accountants steeds in de gelegenheid hadden gesteld om te reageren als nadere stukken in het geding zijn gebracht. De accountants hebben daarvan ook gebruikgemaakt.
‘Op grond van de stukken is voor het College genoegzaam komen vast te staan dat de administratieve organisatie zodanig ondeugdelijk was dat daaruit onvoldoende informatie kon worden geput om een adequate controle van de jaarrekeningen mogelijk te doen zijn.’ Ook het beroep op het ‘kwalitatief axiomatisch voorbehoud’ wordt afgewezen, omdat betrokkenen hadden moeten onderkennen dat de interne controle te gebrekkig was om tot een goedkeurende verklaring te kunnen komen.
Het College neemt de argumentatie van de Raad van Tucht verder grotendeels over en verwerpt het beroep van betrokkenen. De drie berispingen blijven overeind.

Commentaar
Accountants die op hun functioneren als jaarrekeningcontroleur worden aangesproken brengen vaak naar voren dat klagers naar de Ondernemingskamer hadden moeten stappen om de jaarrekening daar te laten herzien. Dit is althans de standaardverdediging van Deloitte. Zij willen niet erkennen dat het om hun controlefunctie gaat en niet om de jaarrekening en de vennootschap. Bovendien kunnen schuldeisers geen jaarrekeningprocedure voeren, omdat zij door de Hoge Raad niet als belanghebbende bij een dergelijke procedure worden erkend (zoals bleek uit de uitspraak SOBI/Hurks I). De Raad van Tucht gaat ook altijd aan dit argument voorbij.
Hoewel ik het ermee eens ben dat de accountant zich niet achter de Verzekeringskamer kan verschuilen, lijkt me dat de Raad toch wel vriendelijk voor de Verzekeringskamer is geweest. De jaarrekeningen omvatten immers niet-bestaande debiteuren van ƒ 13 miljoen en meer en daardoor is de solvabiliteit wel degelijk te hoog weergegeven. Het lijkt mij niet correct dat de Verzekeringskamer dit heeft goedgekeurd. Wanneer de Verzekeringskamer begin 1990 het meerekenen bij de solvabiliteit van een niet-bestaande debiteur van ƒ 13 miljoen had afgekeurd, zou er aanzienlijk minder schade zijn aangericht.
Duidelijk blijkt dat de Raad van Tucht de jaarrekening inhoudelijk beoordeelt bij een klacht en daarbij dezelfde maatstaf hanteert als de Ondernemingskamer, namelijk of de jaarrekening voldoende inzicht geeft. Een accountant kan in het algemeen niet de dans ontspringen door zich achter formele regeltjes te verschuilen.
Dat Deloitte zo hecht aan het horen van de werknemers van de Pensioen- en Verzekeringskamer heeft vermoedelijk te maken met de omstandigheid dat de Verzekeringskamer een grote berg boter op het hoofd heeft en met betrekking tot de solvabiliteit dezelfde fouten heeft gemaakt als Deloitte. Deloitte kan dus verwachten dat de Verzekeringskamer, door zichzelf te verdedigen, ook Deloitte in bescherming neemt.