Klacht Biewinga en Dassen

Raad van Tucht voor Registeraccountants en

Accountants-administratieconsulenten te  Amsterdam
Mr D.A. van der Stelt
Strawinskylaan 1999
1077 XV AMSTERDAM

Raad van Tucht voor Registeraccountants en
Accountants-administratieconsulenten te ‘s-Gravenhage
Secretaris Mr J.P. van Ginkel
Postbus 85996
2508 CR ‘s-Gravenhage

Nieuwersluis, 12 november 2008

Betreft:          Klacht SOBI tegen Prof. Drs. W.A. Biewinga RAProf. Dr.  R.J.M. Dassen RA

De Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie SOBI dient hierbij een klacht in tegen Prof. Drs. W.A. Biewinga RA (“Biewinga”) en Prof. Dr. R.J.M. Dassen RA (“Dassen”).
SOBI weet niet op welk kantooradres de bekritiseerde werkzaamheden zijn verricht. Om te voorkomen dat de klacht bij de verkeerde Raad van tucht wordt ingediend wordt deze klacht bij beide Raden ingediend.

Klachtonderdeel 1
Biewinga en Dassen hebben SOBI, de Raad van Tucht en het College van Beroep voor het bedrijfsleven misleid door de verkeerde persoon aan te duiden en aangeduid te houden als de accountant die was belast met de eindcontrole van de jaarrekening 2001 van Koninklijke Ahold NV.

Toelichting klachtonderdeel 1
Op 12 maart 2003 vroeg SOBI telefonisch aan Deloitte wie eindverantwoordelijk was voor de controle van de laatste jaarrekeningen Ahold. Op 14 maart 2003 herhaalde SOBI schriftelijk het verzoek aan Deloitte om mee te delen “wie de eindverantwoordelijke persoon was bij de controle van de jaarrekeningen 1998, 1999 en 2000 van Ahold NV en wees daarbij op de verplichting om de vraag direct te beantwoorden (art. 23 van de toenmalige GBR).  (prod. 1)Omdat SOBI geen antwoord ontving vroeg SOBI op 18 maart 2003 aan de toenmalige voorzitter van Deloitte & Touche, drs. W.A. Biewinga RA, wie de eindverantwoordelijke persoon was bij de controle van de jaarrekeningen 1998, 1999, 2000 en 2001 van Ahold. (prod. 2). Met betrekking tot de jaarrekening 2001 was het herhaalde verzoek nieuw.

In het herhaalde verzoek kondigde SOBI aan wegens overtreding van artikel 23 GBR een tuchtklacht tegen Biewinga in te dienen wanneer niet de volgende dag antwoord zou worden gegeven. Pas toen kreeg SOBI antwoord. Dat antwoord hield in dat de heer L.J. van den Dries RA de door SOBI bedoelde persoon was.

Na die mededeling heeft SOBI een tuchtklacht tegen Van den Dries ingediend. Deze klacht is op 18 maart 2008 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandeld. Ter voorbereiding van die behandeling ontving SOBI op 7 maart 2008 van de advocaat van Van den Dries enkele nieuwe producties waarvan een genaamdClient Service Instructions Year ending December 30, 2001 inzake Ahold (prod. 3). Op pagina 3 van de instructie is het volgende te lezen:

John van den Dries / Global Lead Client Service Partner
Roger Dassen / Lead Audit Partner
Marco van der Vegte / Lead Senior Audit Manager

Van deze aanduidingen is slechts de aanduiding Lead Audit Partnerin de Nederlandse accountantswereld enigszins gebruikelijk. Daarmee wordt de accountant bedoeld die eindverantwoordelijk is voor de totale controle van de jaarrekening. Dat was Dassen.

Van den Dries was dienstverlenende partner. Non-partner Van der Vegte  was kennelijk organisator. Het is SOBI bekend dat Van der Vegte inderdaad secretarieel werk verrichtte.

Pagina 17 van de  instructie (“Appendix 2. Scope of services to be rendered”) toont welke personen verantwoordelijk waren voor de controle van welke vennootschappen. Dassen was verantwoordelijk voor de controle van Koninklijke Ahold NV (dus ook voor de consolidatie) en voor de controle van Albert Heijn.

Van den Dries en Van der Vegte zijn in de instructie niet genoemd als verantwoordelijk voor de controle van enige vennootschap.

SOBI was compleet verrast door het feit dat niet Van den Dries maar Dassen voor de controle van de jaarrekening 2001 van Ahold de eindverantwoordelijke persoon bleek te zijn. Tijdens de behandeling in hoger beroep op 18 maart 2008 vroeg SOBI aanhouding van de behandeling om de gelegenheid te hebben alsnog een klacht tegen Dassen in te dienen zodat de klacht tegen Dassen in hoger beroep gelijktijdig behandeld zou kunnen worden met de klacht tegen Van den Dries. Het College heeft dat verzoek afgewezen. Eerst onlangs, op 11 september 2008, heeft het College uitspraak gedaan en daarbij de berisping van Van den Dries bevestigd.

Dassen was sinds 2001, dus ook toen SOBI op 12 maart 2003 haar vraag stelde, voorzitter van de commissie vaktechniek van Deloitte.
Biewinga heeft artikel 23 GBR overtreden door jegens SOBI de verkeerde persoon aan te duiden als de accountant die verantwoordelijk was voor controle van de jaarrekening 2001 van Ahold.  Bovendien heeft Biewinga daarmee de eer van de stand beschadigd.
Volgens SOBI moet Dassen geweten hebben dat de verkeerde naam aan SOBI opgegeven zou worden. Dassen had er daarom bij Biewinga op aan moeten dringen dat niet Van den Dries zou worden geofferd maar dat hijzelf jegens SOBI als eindverantwoordelijk voor de controle van de jaarrekening 2001 aangewezen zou worden. Door zulks na te laten heeft Dassen de eer van de stand geschonden en de GBR overtreden.
Dassen is sinds medio 2005 voorzitter van Deloitte Nederland. Dassen moet in elk geval vóór dat de klacht tegen Van den Dries op 27 november 2006 door de Raad van tucht werd behandeld, geweten hebben dat SOBI een klacht tegen Van den Dries had ingediend wegens onder meer tekortschietende controle van de jaarrekening 2001 van Ahold. Nadat Dassen van dat feit kennis had genomen had hij het ertoe moeten leiden dat de Raad van tucht bekend was geworden met het feit dat niet Van den Dries maar Dassen zelf verantwoordelijk was geweest voor de controle van de jaarrekening 2001 van Ahold. Door zulks achterwege te laten heeft Dassen wederom meegewerkt aan misleiding van de Raad van tucht en wederom de GBR overtreden door te handelen in strijd met eer van stand.

Klachtonderdeel 2
Dassen is tekortgeschoten bij de controle van de jaarrekening 2001 van Ahold en heeft zich gedurende 2002 onvoldoende kritisch opgesteld ten opzichte van gegevens die door US-Foodservice werden aangedragen.

Toelichting klachtonderdeel 2
Op 24 februari 2003 maakte Ahold bekend dat een enorme fraude bij haar 100% deelneming US-Foodservice had plaatsgevonden en dat de totale resultaten van Ahold sinds de verwerving in april 2000 met ongeveer $ 880 miljoen te hoog waren weergegeven. Als gevolg van de bekendmaking van deze fraude daalde de beurskoers van het aandeel Ahold op 24 februari 2003 van ongeveer € 10 per aandeel naar ongeveer € 3 per aandeel.

De fraude stak eenvoudig in elkaar. Het management van US-Foodservice, waarvan het inkomen in belangrijke mate afhing van het resultaat van US-Foodservice, fantaseerde er een elk jaar groeiend bedrag aan zogenaamde leverancierskortingen bij. De fantasievorderingen op leveranciers waren niet in de administratie opgenomen. Ze werden ook niet gesaldeerd met betaalverplichtingen jegens de leveranciers maar leidden een eigen,  buiten-administratief leven. In feite waren het mondelinge verhaaltjes die volgens de overlevering gelardeerd zouden zijn met zogenaamde dealsheets waarvan SOBI er nooit een heeft gezien. Dat zouden vormvrije afspraken zijn tussen het management van US-Foodservice enerzijds en vertegenwoordigers van de leveranciers anderzijds waarbij US-Foodservice leverancierskortingen toebedeeld zou krijgen.

In beginsel mag een accountant slechts goedkeurende verklaringen afgeven wanneer én de administratie én de administratieve organisatie aan de te stellen eisen voldoen én voldoende functiescheiding op de relevante afdelingen van de huishouding aanwezig is.
Deze eisen vinden hun grond in de omstandigheid dat daardoor de kans op fraude aanzienlijk wordt verkleind. Bij onvoldoende administratie is de kans op het ontstaan van bepaalde vormen van moeilijk te ontdekken fraude immers groter dan bij een correcte administratie en administratieve organisatie, zoals iedereen weet.

De administratieve organisatie bij US Foodservice vertoonde essentiële gebreken die daaruit bestonden dat de voor het netto resultaat van US-Foodservice van doorslaggevend belang zijnde inkoopkortingen zelfs helemaal niet in dat de administratie waren opgenomen.
Het toenmalige hoofd van de Interne Accountantsdienst van Ahold en accountants van Deloitte & Touche hadden bij het due diligence onderzoek ter gelegenheid van de aankoop van US Foodservice geconstateerd dat er in het geheel geen systeem aanwezig was voor de registratie van leverancierskortingen.
Het College overweegt in zijn beslissing in de zaak SOBI tegen de Van den Dries terzake:
‘Zoals ook wordt bevestigd door hetgeen de accountant ter ondersteuning van zijn beroep heeft aangevoerd bleek de omvang van de leverancierskortingen niet uit de administratie van USF, maar werd zij berekend. Van schriftelijke overeenkomsten met betrekking tot leverancierskortingen was volgens de mededelingen van USF in de meeste gevallen geen sprake. Gesignaleerd was dat dit systeem bijzonder fraudegevoelig was. Dit was van bijzondere betekenis omdat de beloning van de plaatselijke bestuurders voor een belangrijk deel hiervan afhankelijk was. De leverancierskortingen waren voorts van substantiële betekenis voor het resultaat van USFen derhalve ook voor consolidatie van de jaarrekening. [vet door SOBI]’

Volgens de klassieke accountantsregels had onder deze omstandigheden de jaarrekening van Ahold nooit van een goedkeurende verklaring voorzien mogen worden. Het College (en ook de Raad van tucht) ziet desondanks nog mogelijkheden om een gefundeerd oordeel over de jaarrekening te geven maar slechts wanneer vergaande extra controleactiviteiten zijn ontplooid:
Onder deze buitengewone omstandigheden had de accountant zich goed in deze problematiek moeten verdiepen, opdat hij kon beslissen of de ingezette controlemaatregelen adequaat waren. Te meer omdat Deloitte US had geconstateerd en gerapporteerd dat de relevante systemen voor systeemgerichte controle van de leveranciersbijdragen onvoldoende zekerheid boden’, aldus het College op 11 september 2008 in haar uitspraak in de zaak SOBI / Van den Dries.[1]

Specifiek met betrekking tot de tweede grief overweegt het College dat ook uit de toelichting bij die grief [uit het beroepschrift van Van den Dries] blijkt dat de leveranciersbijdragen werden berekend als percentage van de daadwerkelijke verkopen. Dit percentage was gebaseerd op historische resultaten en werd [ willekeurig ]aangepast op basis van de ontwikkelingen, waaronder acquisities en trends in de markt en USF. Van belang is dat deze percentages en de aanpassingen daarvan niet hun grondslag vonden in de gegevens die bleken uit de administratie […] Essentieel is dat deze gang van zaken voor de accountant aanleiding had moeten vormen de controle op USF, uitgeoefend door Deloitte US, nauwlettender te volgen dan onder normale omstandigheden het geval zou zijn geweest‘.[2]

Met betrekking tot al dan niet aanwezige kennis van de werking van het systeem van leverancierskortingen, overweegt het College dat ‘niet is gebleken dat de accountant (of zijn team) deze kennis heeft aangewend voor het, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden noodzakelijke, nauwlettender volgen van de controlewerkzaamheden. […] Zoals hiervoor overwogen brachten deze omstandigheden mee dat de accountant zich grondig in de politiek van de leverancierskortingen, die voor het resultaat van USF en Ahold van overheersende betekenis waren, had moeten verdiepen.[3]

Op bladzijde 13 van zijn beslissing overweegt het College nogmaals ‘dat de raad van tucht op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat terzake van USF sprake was van buitengewone omstandigheden waarbij normale controle-instrumenten onvoldoende zekerheid boden en specifieke controlemaatregelen die op deze omstandigheden waren toegesneden noodzakelijk waren.[4]

Met betrekking tot de vraag of specifieke controleopdrachten zijn uitgevaardigd, ‘overweegt het College dat van belang is dat deze specifieke opdrachten zodanig moeten zijn dat zij onder de bijzondere omstandigheden de accountant een deugdelijke grondslag moeten verschaffen dat de verantwoording voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In dit licht moet worden beoordeeld of de aanvullende werkzaamheden die door Deloitte US zijn uitgevoerd, adequaat zijn.[5]

Uit de door de accountant overgelegde en op diens verzoek opgestelde verklaring van [zijn Amerikaanse advocaat] ‘blijkt dat Deloitte US zich niet heeft gebaseerd op de interne controle­systemen van USF, maar [ter vervanging daarvan] een bevestigingsprocedure heeft gehanteerd.[6]

In het controleprogramma was de controle van leveranciersbijdragen weliswaar een specifiek aandachtspunt maar de Raad van tucht ‘heeft de ingevolge dit programma uitgevoerde verificatieprocedure als niet adequaat beoordeeld’, zoals het College met instemming constateert.’[7]

Met de Raad van tucht is het College van oordeel dat de gehanteerde verificatieprocedure onder de genoemde buitengewone omstandigheden niet toereikend was. Hierbij is van belang dat de selectie van de geadresseerden van de verificatiebrieven geschiedde door functionarissen van USF en derhalve niet door de accountant werd besloten wie hem met het oog op zijn controledoeleinden bruikbare informatie kon verschaffen. Het (persoonlijke) belang van het management bij de resultaten van USF en daarmee bij de omvang van de leverancierskortingen die een alles overheersende invloed hierop hadden, brengen mee dat dit aspect van bijzondere betekenis is. Voorts werden geen open bevestigingsbrieven verzonden, maar werd de bevestiging gevraagd van een getal dat was verkregen van de dealsheets, terwijl de informatie van de dealsheets was ontleend aan de verkoopafdelingen van leveranciers, waarbij de bevestiging niet werd gevraagd aan de financiële afdeling van de leverancier, die deze informatie met de gegevens met de eigen financiële informatie had kunnen confronteren, maar aan personen van de afdeling die USF van informatie had voorzien (gebrek aan functiescheiding). Het moge zo zijn […] dat gangbaar is dat de te vorderen bedragen op juistheid worden gecontroleerd uitgaande van de eigen administratie, maar in casu bleek de hoogte van deze bijdragen niet uit de administratie van USF, maar moest zij worden berekend.[8]

Zoals hiervoor overwogen is het College met de raad van tucht van oordeel dat de gehanteerde controlemethode onder de aan de orde zijnde buitengewone omstandigheden niet toereikend was. Dat dit het geval is kan zowel worden veroorzaakt door een gebrek in de instructies van de accountant als door een gebrek aan toezicht op de uitvoering van deze instructies.[9]
Algemene kennis van de standaard controlemethoden van Deloitte wereldwijd en een algemene interne kwaliteitsreview zijn in de onderhavige buitengewone omstandigheden onvoldoende.[10]

Dit brengt [volgens het College] mee dat de accountant onvoldoende deugdelijke grondslag had voor zijn verklaring dat de jaarrekening als geheel geen onjuistheden van materieel belang omvat.[11]

Hoewel niet duidelijk is wie de goedkeurende verklaring heeft afgegeven, Dassen of Van den Dries, had Dassen moeten voorkomen dat hij een goedkeurende verklaring werd gegeven.

Leverancierskortingen niet gefactureerd
Op 7 maart 2008 zond de advocaat van Van den Dries enkele producties naar klaagster SOBI. Daaronder bevond zich een memo van 12 februari 2002 (prod. 4; wordt nagezonden) waaruit blijkt dat vrijwel alle leverancierskortingen niet gefactureerd waren. Ook blijkt de ongeloofwaardig grote groei van de post ongefactureerde  leverancierskortingen namelijk van $ 93 miljoen per eind 2000 tot $ 295 miljoen per eind 2001. Dat is meer dan een verdrievoudiging in een jaar en een aanzienlijk sterkere groei van de groei van omzet!
Ook het totaal uitstaande bedrag aan vorderingen wegens leverancierskortingen steeg in één jaar van $ 125 miljoen naar $ 322 miljoen. De zogenaamde nieuw verdiende inkoopkortingen bedroegen zelfs $ 568 miljoen. Dit zijn allemaal uiterst onwaarschijnlijke getallen waar Dassen ten onrechte voetstoots geloof aan heeft gehecht.
Uit productie 4 blijkt ook waarom de bevestigingsbrieven niet aan de financiële mensen werden verzonden. Die hadden nog geen factuur voor inkoopkortingen gezien!

Toen Dassen waarnam dat de leverancierskortingen vrijwel geheel uit niet gefactureerde vorderingen bestonden, had hij als kritische accountant moeten beseffen dat het vrijwel zeker was dat de bevestigingsbrieven aan vriendjes waren verzonden, althans niet aan de financiële mensen van de leveranciers.

Dassen accepteert achterwege blijven van essentiële controle
De door de Ondernemingskamer benoemde enquêteurs melden in hun rapport over een vergadering van het audit Committee van de RvC van Ahold van 31 mei 2002 waar Dassen aanwezig was, het volgende:

Tijdens deze vergadering, waarbij de heer Dassen als opvolger (in 2003) van de heer Van den Dries wordt geïntroduceerd, wordt uitvoerig gesproken over de bevindingen van D&T NL ten aanzien van het zwakke interne controle systeem aangaande PA’s. D&T NL bracht een rapport in over het eerste kwartaal van 2002, d.d. 28 mei 2002 waarin onder meer wordt vermeld:
[vertaling door SOBI:] “Eind 2001 noteerden we dat we geloven dat het volgen van de uiteindelijke toerekening van PA vorderingen per einde van het jaar (ongeveer $352 miljoen), rekening voor rekening een essentiële controle is. Tot vandaag is het management niet in staat geweest zo ‘n volgsysteem te leveren. Het management bracht naar voren dat in 2003 een systeem ingevoerd zal worden, maar wij raden krachtig aan om handmatig voor ten minste de 60 grootste leveranciers in 2002 een tracking uit te voeren.”

De tekst van het controlerapport moet afkomstig zijn van Dassen zelf. De bevindingen van dit rapport hebben eveneens betrekking op 2001. Dassen heeft dus beseft dat het rekening voor rekening volgen van de leverancierskortingen een essentiële controle was en heeft desondanks geaccepteerd dat deze essentiële controle achterwege bleef.

Dassen accepteert loze praatjes
Over de discussie in deze vergadering is volgens de enquêteurs van de Ondernemingskamer het volgende genotuleerd [vertaling door SOBI]:
“De heer Dassen herinnerde eraan dat de Promotional Allowances van US-Foodservice 31 basispunten hoger zijn dan in 2001. Er was geen gedetailleerde berekening ter beschikking gesteld om deze stijging te verklaren. Er is echter een heldere analyse die deze stijging onderbouwt. Er staat USD 125 miljoen Promotional Allowances uit. Het is niet mogelijk deze vorderingen te koppelen aan het specifieke programma van Promotional Allowances over 2001. Hoewel dit een zwakheid is vanuit het gezichtspunt van interne controle, voelen het management en Deloitte zich comfortabel met deze balans omdat de programma’s verschillende jaareinden hebben. […]

Dassen voelt zich comfortabel met een op niets gebaseerde verhoging van de leverancierskortingen waarvoor zelfs geen berekening ter beschikking stond. Ook voelt Dassen zich comfortabel met het feit dat eind mei nog voor $125 miljoen meer dan vijf maanden oude niet geïncasseerde leverancierskortingen uitstaat, die niet gesaldeerd worden met schulden aan de leveranciers.

Niet onderzochte grondslagwijziging volgens Dassen een verbetering omdat die positieve invloed op de winst heeft.
Blijkens het rapport van de enquêteurs bevatte de notulen van bedoelde vergadering ook nog de volgende passage:
Mr. Dassen herinnerde eraan dat US-Foodservice het systeem waarmee Promotional Allowances worden vastgelegd die niet aan verkopen zijn gekoppeld heeft veranderd. De verandering lijkt een verbetering te zijn maar is nu nog niet onderzocht. Ze heeft positieve gevolgen op de inkomsten gehad.”

De vastlegging van niet aan verkopen gekoppelde leverancierskortingen is gewijzigd. Deze wijziging is nog niet onderzocht maar lijkt volgens Dassen wel reeds een verbetering te zijn. Dat oordeel is kennelijk gebaseerd op het verhogen van de winstcijfers. Het is nauwelijks te geloven dat een accountant deze onzin voor zoete koek heeft geslikt.

Hoogachtend,

P.T. Lakeman,

Voorzitter SOBI

 


[1] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 11.

[2] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 11.

[3] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 12.

[4] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 13.

[5] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 13.

[6] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 13.

[7] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 13.

[8] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 13.

[9] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 15.

[10] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 16.

[11] CBb  AWB 07 291 en 07 323  20020  van 11 september 2008, pagina 16.