Brief namens de minister van justitie over Deloitte inzake Ahold

17 aug 2006

Ministerie van Justitie

Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving

Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden

Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

Bezoekadres: Schedeldoekshaven 100

2511 EX Den Haag

Telefoon [070] 3 70 79 11

Fax (070) 3 70 79 00

De heer P.T. Lakeman

Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie SOBI

Zandpad 18

3631 NK NIEUWERSLUIS


Onderdeel              afdeling BJZ

Datum           14 juli 2006

Ons kenmerk              5431526/506

Onderwerp             Uw brief van 3 maart 2006

Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.

Geachte heer Lakeman,

Bij brief van 3 maart 2006 heeft u mij melding gemaakt van serieuze vermoedens van strafbare feiten gepleegd door de externe accountant van Ahold N.V., Deloitte en één van diens registeraccountants. Omdat u de mening bent toegedaan dat ik incidenteel intervenieer bij concrete beslissingen over strafvervolging, verzoekt u mij een strafvervolging in te doen stellen tegen Deloitte en diens werknemer.

U vindt verder dat ook uit de memorie van toelichting van de Wet Toezicht Accountantsorganisaties (WTA) zou blijken dat de toenmalige minister van Economische Zaken geconcludeerd zou hebben dat de externe accountant van Ahold verwijten konden worden gemaakt.

Uit uw brief begrijp ik tevens dat u klachten heeft over de trage reactie van het openbaar ministerie (OM) op uw brief van 25 mei 2005. In antwoord kan ik u het volgende mededelen.

De behandeling van uw brief heeft aanmerkelijk langer geduurd dan ik wenselijk acht. Ik bied u hiervoor mijn excuses aan. Na contact met het College van Procureurs-generaal is mij gebleken dat u -eveneens per brief van 3 maart 2006- eenzelfde verzoek om strafvervolging heeft gedaan aan het Functioneel Parket. De reden van de vertraging in de beantwoording van de aan mij gerichte brief is gelegen in het feit dat ik het passend vond de beantwoording van uw brief aan het OM af te wachten. Nu het OM heeft
aangegeven meer tijd nodig te hebben voor het nemen van een weloverwogen beslissing, heb ik gemeend niet langer te kunnen wachten.

Door een verzoek tot strafvervolging te richten aan het OM hebt u de juiste weg bewandeld. Het past mij als minister van Justitie namelijk niet om in te grijpen in individuele (strafzaken. Ik stel mij zeer terughoudend op bij beslissingen die het openbaar ministerie neemt in individuele strafzaken. Het gevaar bestaat anders dat de beslissingen van het OM politiek van aard worden. Dit laat onverlet dat ik in politieke zin eindverantwoordelijk ben voor de wijze waarop de strafrechtelijke rechtshandhaving door het OM plaats vindt. In voorkomend geval leg ik hierover verantwoording af aan de Tweede Kamer.

Om mij in de gelegenheid te stellen te bepalen of ik er de politieke verantwoordelijkheid voor wilde nemen, is het voorstel van het OM om Ahold N.V. een transactie aan te bieden via het College van procureurs-generaal aan mij voorgelegd, overeenkomstig de Aanwijzing hoge transacties en transacties in bijzondere zaken. Mijn bemoeienis in de zaak Ahold is echter hiertoe beperkt gebleven.

Het OM heeft de wettelijke taak om ingevolge het opportuniteitsbeginsel te beslissen of de vervolging moet plaats hebben dan wel moet worden doorgezet. Daarbij merk ik op dat indien het OM besluit Deloitte en diens werknemer niet te vervolgen, de rechtstreeks belanghebbende(n) hierover een klacht kunnen indienen bij het Gerechtshof. Deze klachtregeling is in de wet vastgelegd in artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv). Als het Gerechtshof de klacht gegrond verklaart, moet het OM alsnog tot vervolging overgaan.

Voor wat betreft uw opvatting van de memorie van toelichting van de WTA, wil ik overigens opmerken dat Ahold of diens accountant hierin niet worden genoemd, noch met name, noch direct herleidbaar, zodat mijns inziens uit deze memorie van toelichting terzake geen gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt.

Bij brief van heden heb ik het College van Procureurs-generaal verzocht uw klacht over het niet reageren op uw brief aan het Functioneel Parket van 25 mei 2005 onder de aandacht te brengen van de hoofdofficier van het Functioneel Parket. Klachten over een officier van justitie worden immers afgehandeld door de hoofdofficier.

 

Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

Hoogachtend,

De minister van Justitie,

Zie brief in PDF formaat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een antwoord