Navigation


Ahold/Deloitte

Hoger beroep Deloitte/Van den Dries behandeld

18 mrt 2008

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 07/292 TK en
AWB 07/323 TK
 
Zitting: 18 maart 2008
 
 
            PLEIDOOI
 
            inzake
 
            Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie SOBI
 
            tegen
 
            L.J. van den Dries RA
 
Uit produktie 7 van Van den Dries van 7 maart 2008 blijkt dat Dassen voor controle van de jaarrekening 2001 van Ahold Lead audit partner was en de jaarrekening van Koninklijke Ahold NV ook feitelijk heeft gecontroleerd.
            Van den Dries deed in 2001 geen controlewerkzaamheden.
Ik verzoek uw College daarom de zaak aan te houden tot ook de nog tegen Dassen in te dienen klacht in hoger beroep kan worden behandeld zodat beide klachten tezamen in hoger beroep behandeld kunnen worden.
 
-                     Waar teksten (uit het Engels) zijn vertaald is dat in de pleitnota aangegeven.
-                     Vertalingen zijn van mijzelf.
-                     De nummers in mijn pleitnota (die ik niet zal voorlezen) verwijzen naar de paragrafen van het Verslag van bevindingen van enquêteurs in de Ahold zaak voor de Ondernemingskamer en sluiten ook aan bij de productie die SOBI ruim anderhalve week geleden aan de griffier van uw College en aan de advocaten van Deloitte heeft verzonden.
-                     Het Verslag van bevindingen is een openbaar stuk en heeft in 2006 geruime tijd voor een ieder ter inzage gelegen bij de griffie van het Amsterdams Gerechtshof.
-                     De Raad heeft tijdens de behandeling in eerste instantie onbestreden gesteld dat het Verslag van bevindingen een openbaar stuk is.
-                     Ik schreef al dat de complete tekst van het Verslag van bevindingen te vinden is op de website van NRC.
-                     Ik beschouw de eerder door SOBI ingebrachte stukken en pleidooien als hier herhaald en ingelast.
 
Pleitnota als volgt ingedeeld:
·         Algemeen
·         Feiten en omstandigheden met betrekking tot US-Foodservice (hierna ook: USF)
·         De accountantsverklaringen
·         Controle USF
·         Verdediging Deloitte
·         Garanties ten behoeve van Velox en waardering vorderingen op Velox
Algemeen
Deloitte lijkt een van de vier grootste accountantsorganisaties ter wereld te zijn. Wanneer men goed kijkt blijkt de wereldorganisatie niet te bestaan. Er blijken honderden van elkaar onafhankelijke financiële adviesbureaus te zijn die de naam Deloitte gebruiken. Het enige dat hen bindt is het lidmaatschap van een Zwitserse vereniging Deloitte Touche Tohatsu (DTT). Deloitte is een franchiseketen. Alleen reeds in de Verenigde Staten zijn 300 onafhankelijke franchisenemers gevestigd.
Tuchtrechtelijk is Van den Dries verantwoordelijk voor goedkeuring van de jaarrekeningen Koninklijke Ahold NV 1996-2001. Voor de jaarrekening 2001 is dat echter feitelijk nauwelijks het geval. Professor Roger Dassen was sinds 2001 directeur Accounting & Auditing van Deloitte Nederland BV. Het is ondenkbaar dat Van den Dries de jaarrekening 2001 zou hebben goedgekeurd zonder instemming van Dassen. Voorzover Van den Dries instemming van Dassen heeft gekregen zou dat voor Van den Dries een strafverminderende omstandigheid kunnen zijn. Daar wil ik uw College gaarne op wijzen.

Feiten en omstandigheden met betrekking tot US-Foodservice

1.       Geen functiescheiding inkoop, boekhouding en 
          incasso
Deloitte US ventileert op 16 april 2001 in een conceptrapport aan de directie van USF dat speciaal gewijd is aan de inkoopkortingen haar zorgen over het gebrek aan functiescheiding: `Er zijn zorgen over functiescheiding sinds Nationale Aankoop de conflicterende verantwoordelijkheden heeft van onderhandeling, facturering en het ontvangen van betalingen van inkoopkortingen.’(574).  
Zonder voldoende functiescheiding wordt het risico op samenspanning en andere vormen van fraude te groot. Er zijn in Nederland duizenden besloten vennootschappen waarvan de jaarrekeningen niet  worden goedgekeurd uitsluitend omdat die onderneming te weinig functiescheiding kent. Dit is de klassieke reden waarom kleine vennootschappen zelden of nooit een goedkeurende verklaring krijgen.
Alleen reeds vanwege het gebrek aan functiescheiding bij USF hadden de jaarrekeningen 2000 en 2001 van Ahold nooit goedgekeurd mogen worden.  
Bij deze conclusie speelt een rol dat de ten onrechte gerapporteerde winst van US-Foodservice in 2001 ongeveer een kwart van het totale resultaat van Koninklijke Ahold NV uitmaakte en in alle opzichten materieel is. Koninklijke Ahold NV was ruimschoots de grootste cliënt van Deloitte Accountans BV.
Een gebrek aan functiescheiding bij een bedrijf met deze personele omvang is uitzonderlijk en komt eigenlijk niet voor. Dat bij zo `n bedrijf de aanwezige functiescheiding wordt beëindigd, zoals kennelijk bij US-Foodservice het geval was, is volstrekt uniek en in zijn uniciteit het ultieme bewijs van kwade bedoelingen.
Enquêteurs noemen de afwezigheid van functiescheiding een der oorzaken van het langdurig onontdekt blijven van de fraude. (703).
2.       Geen administratie van inkoopkortingen
Op 16 augustus 1999 schrijft de toenmalige externe accountant KPMG aan USF (482):
`During our audit, we noted that the related transactional accounting (i.e. income earned, vendor billing, purchase activity tracking and cash application) requires a significant amount of manual effort and intervention, specifically at the corporate level and documentation concerning cash application to the related billing is not always readily available. [vertaling:] Bovendien moet de onderneming op haar belangrijkste leveranciers vertrouwen om overzichten van geconsolideerde inkoopactiviteiten te leveren doordat het huidige informatiesysteem van de vennootschap die rapportage niet kan leveren. [.]

Kort samengevat, om de interne controles die samenhangen met de vastlegging van de inkoopkortingen te versterken, zouden we adviseren dat de onderneming formele regels en procedures invoert en toepast [vet door SOBI] waarbij het volgende is vereist:

·         Formele overeenkomsten voor alle inkoopprogramma’s moeten door de leveranciers en bemiddelaars worden ondertekend en centraal bewaard en gecontroleerd worden;
·         Niet gefactureerde inkoopkortingen worden op kwartaalbasis bijgehouden zo dat niet gefactureerde ontvangsten met elke individuele leverancier feitelijk worden verrekend.
·         Uitstaande facturen worden binnen 60 dagen worden geïncasseerd of met openstaande inkoopfacturen worden verrekend. [vet door SOBI]
 
Deloitte US en Van den Dries kenden deze brief door het due diligence onderzoek dat werd uitgevoerd toen Ahold USF overnam .
De IAD van Ahold bevestigt bij het due diligence onderzoek begin 2000 (484) [vertaling]:
"Echter, het systeem van de onderneming om de te ontvangen kortingen vast te leggen is zwak. In feite steunt de onderneming zwaar op de leveranciers om facturen uit te kunnen sturen. De onderneming heeft geen geschikt systeem van papieren overeenkomsten om zelf de vorderingen vast te leggen. Die situatie kan makkelijk uitmonden in verliezen en fraude." 
US-Foodservice was zeer afhankelijk van inkoopkortingen; op een nettoresultaat in 1999 van $ 83 miljoen ontving de onderneming $ 350 miljoen inkoopkortingen (484).
 
In december 2000 wijst Van den Dries tijdens een vergadering van het Audit Committee zelf op de zwakke interne controle bij USF (564).
 
In februari 2001 schrijft Deloitte US aan de RvB dat er geen gecentraliseerd systeem is voor het volgen van inkoopkortingen (567).
 
Op 16 april 2001 schrijft Deloitte US aan het management van USF (574) dat het met de inkoopkortingen samenhangende risico hoog is en dat Nationale inkoop geen middelen heeft om de inkoopkortingen te volgen.
[vertaling] `Op basis van onze testresultaten concluderen wij dat de procedures met betrekking tot inkoopkortingen en daarmee verbonden controles niet voldoende zijn’ [.]
Veel bevindingen en de mogelijke financiële gevolgen van de bevindingen in relatie tot de controleerbare velden blijken hoog te zijn’, vervolgt Deloitte US.
 
Op 4 maart 2002 schrijft Deloitte US aan het management van USF (608) [vertaling]:
`De onderneming beschikt niet over een geautomatiseerd systeem om de omzet uit inkoopkortingen te berekenen. De onderneming is niet in staat zijn relevante aankopen van leveranciers met inkoopkortingen op te tellen en na te gaan. Om haar te voorzien van samengestelde jaarlijkse inkoopinformatie vertrouwt de onderneming op haar leveranciers.’
 
Dit doet de deur dicht. De administratie geeft geen informatie en is dus niet te controleren. Met dit oordeel van Deloitte US wordt bevestigd dat de jaarrekeningen 2000 en 2001 nooit goedgekeurd hadden mogen worden.
De post vorderingen op leveranciers was een verzamelpost. De vorderingen op leveranciers waren op één grote hoop gegooid en niet per leverancier uitgesplitst. Ontvangsten werden ongespecificeerd van dezelfde hoop afgehaald. Het was niet mogelijk na te gaan in hoeverre USF vermeende "vorderingen" op haar leveranciers daadwerkelijk incasseerde. De administratie was ongeschikt om vorderingen op individuele leveranciers na te gaan. De administratie was dus ook ongeschikt om conclusies over resultaten op te baseren.
Door deze gebreken in de administratie was ook de zogenaamde afloopcontrole niet mogelijk. Afloopcontrole houdt in dat gedurende een bepaalde periode (veelal een behoorlijk aantal maanden) wordt gecontroleerd of alle debiteuren wel zijn binnengekomen zodat achteraf geconstateerd kan worden of, en in hoeverre, de betreffende debiteuren volwaardig, en de betreffende balansposten juist waren.
 
Ook enquêteurs zijn van mening dat er een systeem zou moeten zijn dat elke afzonderlijke transactie aan in- en verkoopzijde volgt, door de gehele bedrijfsketen heen, teneinde tot de juiste PA berekening (Promotional Allowances; inkoopkortingen) te komen, een zogenaamd PA tracking systeem. Een belangrijk element van zo’n systeem is het bestaan van verifieerbare afspraken met leveranciers en klanten. Die waren er niet. (516).
3.       Jarenoude vorderingen wegens inkoopkortingen 
niet afgewaardeerd
Het hoofd van de interne accountantsdienst van Ahold schreef op 3 mei 2001 aan Meurs dat  volgens de zojuist geëcarteerde financieel directeur van USF, Ernie Smith, jarenoude vorderingen uit hoofde van inkoopkortingen nog in de balans stonden. (Verslag van bevindingen bijlage 21). Toch heeft Deloitte deze niet afgewaardeerd.
4        Eerdere fraudes ontdekt
Tijdens het due diligence onderzoek werd een fraude van $ 11 miljoen ontdekt (560).
Bij het opmaken van de openingsbalans per 1 april 2000 was opnieuw een fraude ontdekt (570).
Bij een onderneming waar reeds twee keer fraude is geconstateerd mag een accountant enigszins op zijn hoede zijn.
5.       Bonussen directieleden USF afhankelijk van 
          resultaten
RAC 240 maakt duidelijk dat winstafhankelijke bonussen een signaal voor fraude zijn. Omdat de directie van USF winstafhankelijke bonussen ontving had Van den Dries extra alert moeten zijn op kunstgrepen die het resultaat verhoogden.
Camouflage-feiten
6.       Ontkenning schriftelijke contracten
Wanneer Deloitte NL de controlezwakte door afwezigheid van schriftelijke contracten aan de orde stelt antwoord USF dat het zonder schriftelijke contracten makkelijker is aan het eind van dit jaar extra hoge leverancierskortingen af te dwingen (521). Ondanks de waarschuwingen van KPMG uit 1999 heeft den Dries geaccepteerd dat geen schriftelijke contracten werden getoond/gebruikt. Daarmee heeft van den Dries geaccepteerd dat de administratie niet gecontroleerd kon worden en dat het risico van fraude verhoogd werd.
7.       Vorderingen wegens inkoopkortingen niet 
          verrekend
Echte vorderingen kunnen verrekend worden met schulden. KPMG, dat kennelijk nattigheid voelde, had in 1999 geadviseerd om zelfs niet gefactureerde inkoopkortingen per leverancier te verrekenen en om uitstaande vorderingen binnen 60 dagen te incasseren of te verrekenen. Het is ook doldwaas om onbetaald gebleven vorderingen van vele honderden miljoenen dollars niet te verrekenen wanneer zij werkelijk bestaan. Dat deze niet verrekend werden is een ernstige aanwijzing voor het niet bestaan van deze vorderingen, dus voor keiharde fraude.
8.       Stijging "werkkapitaal"
Van der Hoeven vraagt op 29 augustus 2001 aan Miller hoe het met USF staat. Miller antwoordt: "The big issue is working capital." Dat is logisch. Wanneer niet bestaande vorderingen groeien, groeit het werkkapitaal optisch mee. Vervolgens wordt Miller gevraagd het werkkapitaal van USF te vergelijken met dat van concurrenten Sysco and PYA Monarch (587). Voorzover enquêteurs hebben kunnen nagaan is dat nooit gebeurd (588). Van den Dries moet hebben beseft dat de "toename" van het werkkapitaal een zeer verdachte omstandigheid was, mede doordat deze toename veroorzaakt werd door een niet te controleren stroom inkoopkortingen
9.       Geen  tracking systeem opgebouwd
Enquêteurs concluderen: Ten aanzien van een PA tracking systeem zijn er nimmer tekenen van voortgang aan de concernleiding gerapporteerd (698) en ook dat onder tracking systeem de jaarrekening niet kan worden goedgekeurd. (692).
10.     Opbouw tracking systeem gesaboteerd
Op 15 december 2000 wordt in de RvC meegedeeld dat Ernie Smith (financieel directeur van Ahold US) in januari 2001 financieel directeur bij US-Foodservice wordt (641). Hij krijgt de opdracht een tracking systeem voor PA’s tot stand te brengen (565 en 641).
 
Op 12 april 2001 schrijft Ernie Smith aan Meurs dat de directie van USF $ 10 miljoen uit de kas heeft gehaald omdat het oorspronkelijke bod van Ahold op USF van $ 30 naar $ 26 per aandeel was verlaagd. Ook schrijft hij dat de winsten gemanipuleerd werden door de inkoopkortingen op te blazen. ’De tracking van leverancierskortingen zou begin dit jaar worden opgezet en vandaag de dag is feitelijk weinig uitgevoerd. [.] Ik heb sinds januari openlijke weerstand om dit programma op te zetten.’ (641).
Op 3 mei 2001 schreef Ekelschot aan Meurs dat Kaiser [directeur inkoop van USF] volgens Ernie Smith tegen hem loog over de inkoopkortingen.
 
Op 5 juni 2001 meldt Meurs aan het Audit Committee dat Ernie Smith is gevraagd op te stappen omdat het managementteam van US-Foodservice geen vertrouwen in hem had (576).
Van den Dries had inzage in de notulen en wist dat Ernie Smith was aangetreden om het PA tracking systeem op te stellen. Toen Van den Dries vernam dat gerespecteerde Ernie Smith moest stoppen met het opzetten van een tracking systeem omdat het management geen vertrouwen meer in hem had, had hij moeten beseffen dat het management van USF de opbouw van het tracking systeem bewust had gesaboteerd. Dat kon maar één ding betekenen: fraude!
 
Deloitte wist dat een tracking systeem nodig was om vermogen en resultaat te bepalen. Deloitte wist dat er geen tracking systeem was. Deloitte wist dat er geen voortgang was geboekt bij het opzetten van een tracking systeem. Deloitte wist dat er nooit een concreet plan was gevraagd of geleverd om een tracking systeem op te stellen. Deloitte wist dat er geen rapporten bestonden met betrekking tot het verbeteren van die situatie. Deloitte had moeten beseffen dat de bouw van een tracking systeem gesaboteerd was.
11.     Ahold wíl geen tracking systeem wegens 
          "gevoelige natuur"
Op 11 december 2001 vertelt Meurs het Audit Committee dat een tracking systeem niet mogelijk is wegens de gevoelige natuur van deze kortingen.
Van den Dries stemt er mee in dat het "gebruikte systeem" (dus géén systeem) in de plaats kwam van een administratief systeem. (595).Van den Dries stelde later jegens enquêteurs zich deze passage uit de notulen van het Audit Committee niet te kunnen herinneren (597). Dat lijkt zonder belang want hij heeft wel uitgevoerd wat genotuleerd werd. Hij heeft namelijk jaarrekeningen goedgekeurd zonder dat er een administratief systeem voor het vastleggen van inkoopkortingen bestond. Ik zei: `Dat lijkt zonder belang.’ De ontkenning is echter van groot belang. Daaruit blijkt immers dat Van den Dries het als een negatieve omstandigheid beschouwt dat hij jaarrekeningen goedkeurt zonder een administratief systeem voor tracking van inkoopkortingen. Zijn geheugenverlies is dus waarschijnlijk veroorzaakt door schuldbewustzijn achteraf.
 
Meurs geeft tijdens de vergadering expliciet aan dat een adequaat PA-tracking systeem niet mogelijk is omdat USF geen schriftelijke contracten met haar leveranciers nastreeft wegens de "sensitive nature". (596). Een onacceptabele, nieuwe smoes.
Het definitief afzien van schriftelijke contracten staat gelijk met het definitief oncontroleerbaar maken van de belangrijkste balans- én winstpost. Van den Dries die bij deze vergadering aanwezig was is hiermee akkoord gegaan.
12.     Marge zou lager zijn dan van concurrenten
Er zijn kennelijk aan Miller vragen gesteld over de enorme bedragen aan geactiveerde inkoopkortingen want Miller stelt in een RvB vergadering dat de inkoopkortingen bij US-Foodservice lager waren dan bij concurrent Sysco. Van den Dries ontleent blijkens de notulen "comfort" aan deze mededeling. Maar Sysco publiceerde volgens enquêteurs helemaal geen marges op inkoopkortingen. Enquêteurs konden niet vaststellen waar Miller die informatie vandaan haalde (693). Van den Dries stond erbij en hij keek erna.
13.     Inkoopkortingen verhoogd zonder concrete 
          onderbouwing (618)
In de vergadering van het Audit Committee van 31 mei 2002 waren Van den Dries én zijn beoogde opvolger Dassen aanwezig. Dassen brengt naar voren dat de inkoopkortingen 31 basispunten hoger zijn dan in 2001 [correspondeert met meer dan $ 37,8 mln] en dat er geen gedetailleerde berekening ter beschikking was gesteld om deze toename te verklaren. Dassen herinnert eraan dat USF het systeem waarmee inkoopkortingen worden vastgelegd had gewijzigd. De verandering was nog niet onderzocht maar het lijkt volgens Dassen wel een verbetering te zijn en heeft volgens Dassen een positieve invloed op de resultaten gehad. (618).
SOBI beschouwt deze analyse van Dassen als een pleidooi voor willekeur. Van Dries heeft zich niet tegen dit pleidooi verzet, enquêteurs hebben dat althans niet genoteerd.
Conclusie enquêteurs (703)
`Een  combinatie van factoren heeft er volgens onderzoekers voor gezorgd dat de fraude zo lang onontdekt is gebleven:
 
·                     vermeende afwezigheid van schriftelijke contracten;
·                     de afwezigheid van een afdoende PA tracking systeem
·                     functievermenging bij de registratie en betaling van PA’s;
·                     een confirmatiebrieven procedure waarbij een (overigens toegestane) keuze is gemaakt die onderzoekers niet verstandig voorkomt; [volgens SOBI was de keuze niet toegestaan]’

De accountantsverklaringen

Geen verwijzing naar andere accountants
Voorzover Van den Dries controle activiteiten had uitbesteed aan andere accountants en/of accountantsorganisatieswaarvoor hij geen tuchtrechtelijke verantwoording wil dragen, had hij dat in zijn verklaringen moeten melden.Dat heeft hij niet gedaan. Desondanks verdedigt Van den Dries zich nu met de stelling dat hij geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt voor accountants die de  cijfers van USF gecontroleerd hebben.
Artikel 15 lid 3 GBR verbood indertijd om in een goedkeurende verklaring te verwijzen naar verklaringen van andere (openbare) accountants. SOBI ziet dat als een extra argument om geen goedkeurende verklaringen te geven nu immers blijkt dat Van den Dries de schuld naar andere accountants probeert af te schuiven.
Geen Nederlandse controlemaatstaven toegepast
Tot en met de jaarrekening 1998 was in de accountsverklaringen vermeld dat de controle `volgens algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten’ was verricht. Met ingang van de jaarrekening 1999 is vermeld dat de controle is verricht `overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten.’ Deze toevoeging gaf het vertrouwen dat de jaarrekening was gecontroleerd volgens het Nederlandse principe `Inhoud boven vorm’ en niet volgens de beruchte Amerikaanse letterknechterij. De toevoeging `in Nederland’ werd toen voorgeschreven in de RAC.  Die formuleerde verplichting om volgens Nederlandse maatstaven te controleren toen expliciet.
Toen tijdens de tuchtprocedure bleek dat de controle bij US-Foodservice niet aan de Nederlandse controlemaatstaven voldeed verschool Van den Dries zich achter de stelling dat US-Foodservice volgens Amerikaanse controlemaatstaven was gecontroleerd en dat die strenger waren dan de Nederlandse controlemaatstaven. Dat is onwaar en niet aangetoond.
Toestand der administratie niet vermeld
Noch in de jaarrekeningen van Ahold, noch in de accountantsverklaringen is iets te lezen omtrent administratieve zwaktes bij US-Foodservice. Wanneer in de jaarrekeningen of in de accountantsverklaringen duidelijk was gemaakt dat de administratie van USF ongeschikt was om het resultaat te controleren zouden aandeelhouders aanmerkelijk minder zijn misleid dan nu het geval is.
Geen consolidatie US-Foodservice
US-Foodservice heeft sinds haar jaarrekening 1998 - 1999 geen jaarrekeningen meer opgesteld. Dit is pas tijdens de tuchtprocedure gebleken. Het is per definitie niet mogelijk een niet bestaande jaarrekening in de jaarrekening van Koninklijke Ahold NV te consolideren. De cijfers van US-Foodservice moeten dus onmiddellijk in de enkelvoudige jaarrekening van Koninklijke Ahold NV zijn opgenomen. Een accountant die de enkelvoudige jaarrekening controleert (zoals Van den Dries gedaan) kan niet verwijzen naar andere accountants. 
Controle US-Foodservice
Centraal staat de basis controleregel (RAC 600.8) dat de accountant zodanige werkzaamheden moet uitvoeren dat hij te allen tijde over toereikende controle-informatie beschikt. Waar de omstandigheden dat vereisen, moeten aanvullende controlewerkzaamheden worden verricht. De rest is bijzaak en vormt een minimumprogramma. Dit is expliciet in RAC 600 vermeld.
Voorts wijs ik op de verplichting van controlerende accountants om de notulen van de RvB, de RvC in het Audit Committee te raadplegen.
 
a)         Deloitte voelt zich comfortabel bij een oncontroleerbare 
            balans (618)
Op 31 mei 2002 stelt Dassen in de vergadering van het Audit Committee (in aanwezigheid van Van den Dries): Er staat USD 125 miljoen promotional allowances uit. Het is niet mogelijk deze vorderingen toe te wijzen aan het specifieke inkoopkortingen programma van 2001. `Hoewel dit een zwakheid is vanuit het gezichtspunt van interne controle, voelen het management en Deloitte zich comfortabel met deze balans omdat de programma’s verschillende jaareinden hebben.
Er is geen protest van Van den Dries genotuleerd. Ook hij voelt zich kennelijk lekker bij het goedkeuren van een oncontroleerbare balans.
 
b)        Deloitte controleert jaarrekening terwijl hij de bedrijfstak niet 
           kent
Elke onderzoeker zou het zijn opgevallen dat de post "vorderingen op leveranciers" bij USF sinds medio 1999 elk jaar pijlsnel verder steeg, zowel absoluut als in verhouding tot het resultaat als in verhouding tot de andere balansposten en dat deze vorderingen kennelijk niet verrekend werden met schulden aan de leveranciers. Na het uitbrengen van het KPMG-rapport in augustus 1999 is dat ronduit verdacht.
 
Een accountant behoort alleen bedrijven controleren die hij kent en waarvan hij de bedrijfstak kent. Van den Dries had behoren te weten dat leveranciers als Unilever, Heinz, BAT, Kraft, Coca-Cola, Pepsi-Cola, Sara Lee, Nestlé altijd schriftelijke verkoopcontracten afsluiten, zeker in het legalistische Amerika. Een normaal functionerende accountant zou uiterst op zijn hoede zijn geweest wanneer hem het krankzinnige en volstrekt ongeloofwaardige verhaal op de mouw wordt gespeld dat deze concerns toevallig nu juist bij  USF allemaal mondelinge overeenkomsten zouden aangaan. Elke normaal functionerende accountant zou dat bij de leveranciers nagaan. Zeker nu deze ongebruikelijke vermeende afwezigheid van schriftelijke contracten de hoeksteen van de oncontroleerbaarheid van de jaarrekening is.
 
c)         Onvoldoende controle volgens eigen inzicht (618)
Op 28 mei 2002 rapporteert Deloitte NL als volgt aan het Audit Committee [vertaling]:
`Eind 2001 merkten we op dat het volgen van de uiteindelijke PA vorderingen per jaareinde (ongeveer $ 352 miljoen), rekening voor rekening een beslissende controle is. Tot vandaag is het management niet in staat geweest zo ’n volgsysteem te leveren. Het management merkte op dat in 2003 een systeem ingevoerd zal worden, echter wij raden krachtig aan om handmatig voor ten minste de 60 grootste leveranciers in 2002 een tracking uit te voeren.
 
Zelfs deze door Deloitte noodzakelijk geachte bepérkte handmatige tracking is voor de balansen 2000 en 2001 niet uitgevoerd.
Hiermee staat vast dat Van den Dries jaarrekeningen heeft goedgekeurd die ook volgens eigen inzicht onvoldoende zijn gecontroleerd.
 
In hetzelfde rapport van 28 mei 2002 schrijft Van den Dries: `De kasontvangsten in 2002, vermoedelijk betrekking hebbend op de PA-debiteuren per eind 2001, zijn als volgt’, waarna een opsomming volgt.
Men kan zijn ogen nauwelijks geloven. De kasontvangsten hebben vermoedelijk betrekking op ontvangen inkoopkortingen! Dit woordgebruik illustreert het totale gebrek aan inzicht dat Van den Dries in de jaarrekening van USF had. Blijkens dit woordgebruik besefte Van den Dries ook dat hij het inzicht miste.
 
d)                 Confirmatiemethode onjuist uitgevoerd
Met de confirmatiebrieven methode kan in beginsel de nominale hoogte van een vordering op de ondervraagde debiteur gecontroleerd worden. Een correcte uitvoering is essentieel omdat de accountant anders het slachtoffer van samenspanning kan worden. De uitvoering hoort volledig onafhankelijk door de accountant te gebeuren. Het is immers een controlemiddel voor twijfelachtige administraties. De accountant moet de debiteuren/ rechtspersonen zelf uitzoeken.
Van den Dries accepteerde dat de directeur inkoop van USF de lijst van aan te schrijven personen opstelde en dat Deloitte US haar confirmatie brieven aan die vriendenlijst verzond. De confirmatiemethode is in de kern zo slecht uitgevoerd dat deze als controlemiddel geen betekenis meer had.
 
Van den Dries accepteerde bovendien dat informatiebrieven werden verzonden aan verkoopfunctionarissen van de leveranciers in plaats van aan de financiële mensen. Verkoopfunctionarissen weten niet welke bedragen gedurende het boekjaar zijn betaald of ontvangen en kunnen daardoor per definitie geen antwoord geven op de vraag welke bedragen de debiteuren aan USF schuldig waren.
 
Uitsluitend mensen van de financiële afdeling kunnen beoordelen welke schulden de leveranciers aan USF hebben doordat zij weten welke bedragen zijn betaald of ontvangen. De Raad van tucht heeft terecht beslist dat de brieven aan financiële mensen van de leveranciers gestuurd hadden moeten worden. Doordat de brieven structureel aan de verkeerde mensen zijn gestuurd heeft de fraude bijna drie jaar langer kunnen voortduren.
 
e)        Confirmatiemethode ongeschikt om volwaardigheid 
            vorderingen te controleren
Met de confirmatiebrieven methode werden nominale vorderingsbedragen gecontroleerd. Voorzover bekend werd in de confirmatie brieven niet om een saldo gevraagd maar uitsluitend om een vordering van USF op de debiteur. Dat was een onacceptabele consequentie van het uiterst verdachte systeem dat USF haar vermeende vorderingen niet verrekende.
 
Voorzover bekend is in de confirmatiebrieven ook niet naar de ouderdom van de vordering gevraagd. Daardoor kon ook niet worden nagegaan in hoeverre vorderingen afgewaardeerd moesten worden. Zodoende is ook het resultaat niet gecontroleerd.
 
f)         Confirmatie methode ongeschikt om resultaat te controleren
Maar zelfs al zou met de confirmatie methode de grootte én de volwaardigheid van de vorderingen correct zijn vastgesteld, dan zou dat nog niets zeggen over het resultaat. Voor het resultaat moet men namelijk ook weten in hoeverre de leverancierskortingen betrekking hebben op prestaties uit het verstreken boekjaar. De leverancierskortingen hebben overwegend betrekking op prestaties die nog verricht moet worden (immers, in december werd nog heel veel ingekocht met grote leverancierskortingen). Daarmee staat vast dat het resultaat in ieder geval niet gecontroleerd is en dat het resultaat naar alle waarschijnlijkheid veel te hoog is vastgesteld.
 
1          De hoogte van de vorderingen van USF is abominabel slecht 
            gecontroleerd
2          De volwaardigheid van de vorderingen is helemaal niet 
            gecontroleerd.
3          Het resultaat is helemaal niet gecontroleerd.
Verdediging Deloitte
De verdediging van Van den Dries beperkt zich tot enkele formele stellingen (die ik direct van commentaar voorzie):
 
1.      Van den Dries heeft aan alle formele regels van RAC 600 voldaan.
Dat is onjuist want hoofdregel 600.8 van de accountantscontrole bepaalt dat betrokkene als groepsaccountant zodanige werkzaamheden moet uitvoeren dat hij te allen tijde over toereikende controle-informatie beschikt. De werkzaamheden die in de bijlage bij RAC 600 gedetailleerd zijn beschreven vormen slechts een minimumprogramma. Dit is expliciet in de bijlage vermeld.
 
2.      De cijfers van USF zijn op correcte wijze gecontroleerd (inclusief niet onthulde alternatieve controle procedures).
Dit beschouw ik als een gepasseerd station.
 
3.      Van den Dries is groepsaccountant en draagt daardoor geen verantwoordelijkheid voor  de controlewerkzaamheden met betrekking tot de USF cijfers. Hij hoeft slechts de controlegrondslagen en de controle uitkomsten te beoordelen.
Onjuist. Deloitte US en Deloitte Accountants BV behoren niet tot een wereldwijd netwerk zoals bedoeld in de Bijlage bij RAC 600. Er is geen samenwerkingsverband tussen Deloitte US en Deloitte Accountants BV (in tegenstelling tot bijvoorbeeld KPMG dat wel een internationaal samenwerkingsverband is). Deloitte is een franchise organisatie. Van den Dries is volledig verantwoordelijk voor de controlewerkzaamheden met betrekking tot de cijfers van USF. Er is geen sprake van consolidatie. De cijfers van USF hadden direct in de jaarrekening van Koninklijke Ahold NV opgenomen moeten worden.
4.      Van den Dries heeft gedetailleerde controle instructies aan Deloitte US gegeven en ook relevante oordelen gegeven over controlerapport van Deloitte US.
Er is geen stuk overgelegd waaruit dit blijkt, ook niet bij de producties van 7 maart 2008. Deze stelling wordt door SOBI ontkend.
 
Uit 3.6 van het beroepschrift blijkt dat Van den Dries onwettige controle instructies heeft gegeven, namelijk om af te wijken van de Nederlandse controleregels. Het NIVRA heeft Nederlandse accountants verplicht de Nederlandse RAC toe te passen. Van den Dries heeft sinds 1999 in zijn accountantsverklaringen ook vermeld dat de controle volgens Nederlandse controleregels was geschied. In zoverre zijn die accountantsverklaringen dus vals.
 
In 3.8 stelt Van den Dries dat er binnen USF verschillende PA tracking systemen in gebruik waren. Dat is uiterst misleidend. Dat was slechts het geval bij de later door USF overgenomen ondernemingen PYA/Monarch en Alliant.
 
In 3.9 stelt betrokkene dat naast het verzenden van bevestigingsbrieven ook alternatieve procedures werden toegepast om uitstaande vorderingen wegens leverancierskortingen te beoordelen. Welke procedures dat waren blijft echter duister. SOBI ontkent dat alternatieve procedures zijn toegepast.
 
In 3.9 stelt Van den Dries verder dat (volgens het management) alle leveranciersbijdragen aan USF toekwamen en dus geen voorschotbetalingen omvatten. Nog daargelaten de betrouwbaarheid van het management ziet betrokkene over het hoofd dat ook voorschotbetalingen aan USF kunnen toekomen.
 
Betrokkene heeft de volgende stukken, die in beginsel alle te zijner verdediging gebruikt zouden kunnen worden, nog steeds niet overgelegd:
·         De controle-instructies voor de externe accountants van USF met betrekking tot 2000 in 2001.
·         De verklaringen van de externe accountants van USF met betrekking tot 2000.
·         De "audit clearance" met betrekking tot 2000.
·         De reacties van betrokkene op de audit clearence met betrekking tot 2000 en 2001.
·         Geen confirmatiebrieven. Voor de balansen 2000 en 2001 zijn er enkele tientallen verstuurd.
 
Dit is verdacht. Door te beweren dat hij aan zijn controleverplichtingen heeft voldaan maar de meeste stukken waaruit dat zou kunnen blijken achter te houden toont Van den Dries niets aan. Wanneer Van den Dries niet zijn integrale correspondentie met Deloitte US, inclusief genoemde stukken, alsnog inbrengt moet het er voor gehouden worden dat hij met betrekking tot USF met de klacht instemt.
Waardering Disco-vorderingen/garanties ten behoeve van Velox
De Raad heeft ten onrechte overwogen dat de garanties van Ahold ten gunste van Velox niet gemeld hoefden te worden omdat er geen aanwijzing zou zijn omtrent een mogelijk in gebreke blijven van Velox. Velox was echter al sinds 1998 in gebreke bij het nakomen van de afspraken met Ahold om mee te financieren bij het kopen van nieuwe Zuid-Amerikaanse deelnemingen.
Daarnaast behoren garanties vermeld te worden ook los van de grootte van het risico’s dat daarop een beroep wordt gedaan. Zie artikel 383 Boek 2 BW.
De overweging van de Raad dat het in gebreke blijven van Velox door een verslechtering van de economische situatie in Argentinië eind 2001 als een reële mogelijkheid moet worden aangemerkt heeft als consequentie dat in de jaarrekening 2001 (die in maart 2002 werd goedgekeurd) een voorziening getroffen had moeten worden.
 
Betrokkene stelt in zijn verweerschrift dat wanneer Ahold verplicht zou worden de aandelen DAIH over te nemen Ahold een actief zou vergaren tegenover de uitstroom van middelen. Dat actief was echter aanzienlijk minder waard. Uit de sterk dalende bedragen waarvoor de banken de aandelen in onderpand wilden nemen blijkt dat de aandelen DAIH sinds 1999 steeds verder in waarde daalden.
 
De andere onderdelen van de tuchtklacht behoeven, na de uitgebreide schriftelijke uiteenzettingen, mijnerzijds geen mondelinge toelichting meer.
Conclusie
SOBI handhaaft al haar klachtonderdelen, SOBI beroept zich op het recht van de Europese Unie, met name op bepalingen die betrekking hebben op jaarrekeningen, op accountantscontrole en op regelingen met betrekking tot de effectenhandel en met betrekking tot de procesgang.
SOBI biedt bewijs aan van al haar stellingen.
SOBI ontkent de juistheid van alle beweringen van betrokkene die niet de stellingen van SOBI ondersteunen.
 
SOBI is van mening dat uw College geen betekenis mag hechten aan de verdediging van Van den Dries met betrekking tot USF zolang de door mij opgesomde stukken niet allemaal in het geding zijn gebracht.
  
P.T. Lakeman,
Voorzitter SOBI
 
Commentaar SOBI op producties van 7 maart 2008 van L.J. van den Dries RA
 
9.         Voor de controle van de inkoopkortingen wordt verwezen naar memo 1811 dat echter niet is bijgevoegd.  

10.       Bevestiging dat er geen tracking systeem bestaat voor Promotional Allowances. 

11.       Uit dit memo van 12 februari 2002 blijkt dat vrijwel alle Promotional Allowances niet gefactureerd waren. Ook blijkt de wanstaltige groei van deze ongefactureerde Promotional Allowances namelijk van $ 93 miljoen eind 2000 tot $ 295 miljoen eind 2001. Dat is meer dan een verdrievoudiging. Ook het totaal uitstaande bedrag aan Promotional Allowances vorderingen steeg in één jaar van $ 125 miljoen naar $ 322 miljoen. De zogenaamde nieuw verdiende inkoopkortingen bedroegen zelfs $ 568 miljoen. Dit zijn allemaal ongelooflijke getallen waar professor Dassen voetstoots geloof aan hechtte. 

Uit deze productie blijkt eindelijk waarom de confirmatiebrieven niet aan de financiële mensen werden gezonden. De hadden nog geen factuur gezien! Onder deze omstandigheden is het een krankzinnige zaak om de brieven niet aan de financiële mensen te versturen. Dassen c.s. hadden moeten beseffen dat de confirmatiebrieven aan vriendjes waren verzonden, althans niet aan de mensen van de financiële afdeling toen hij las dat de Promotional Allowances vrijwel geheel uit niet gefactureerde vorderingen bestonden.

Deze produktie bevestigt ook dat de Promotional Allowances geschat worden. 

12.       "onze testen waren daardoor niet voldoende om ons instaat te stellen en opinie te geven over het aparte Reporting Package of the Company."
 
13.       Eenzelfde brief als Bindenga maar nu wat uitgebreider. Ook hier het oude liedje: Van den Dries valt niets te verwijten want hij is maar een groepsaccountant en hoeft zich daarom niet te verdiepen in de controlewerkzaamheden van de externe accountant van US-Foodservice.