Navigation


Ahold/Deloitte

Reactie op mogelijke uitspraken op klacht tegen Deloitte

10 sep 2008

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te Den Haag doet donderdag 11 september om 10:00 uur in het openbaar uitspraak in de tuchtprocedure van SOBI tegen de accountant van Deloitte die de jaarrekeningen van Ahold over 1998 tot en met 2001 heeft goedgekeurd.
Doordat het voorlezen van de beslissing enige tijd kan duren en hetzelfde College exact om 11:00 uur een andere klacht van SOBI tegen Deloitte (wegens het goedkeuren van de jaarrekeningen van het gefailleerde beursfonds CSS Holding) in behandeling neemt heeft SOBI voorzitter Pieter Lakeman vóór 11:00 uur vermoedelijk slechts kort de gelegenheid commentaar op de uitspraak te leveren. Vanaf 14:30 uur is Lakeman desgewenst voor uitgebreider commentaar beschikbaar. Daarom treft u de reacties van Pieter Lakeman op de mogelijke uitspraken hieronder aan.

De uitspraak heeft geen invloed op het standpunt van SOBI in de reeds lopende civiele procedure tegen Deloitte Nederland BV, Deloitte US en Michiel Meurs voor de rechtbank Amsterdam. Die procedures worden doorgezet.

De klacht omvat drie onderdelen, te weten tekortschietende controle van de cijfers van US-Foodservice, overwaardering Disco vorderingen en consolidatie van joint ventures.

Tekortschietende controle op cijfers van US-Foodservice
SOBI beschouwt dit klachtonderdeel als het belangrijkste. De Raad van Tucht heeft dit onderdeel op 12 maart 2007 gegrond verklaard en een schriftelijke berisping uitgedeeld. Deloitte is echter in beroep gegaan. SOBI is van mening dat de fraude bij US-Foodservice door de tekortschietende controle drie jaar extra is doorgaan. Toen Ahold de fraude op maandag 24 februari 2003 bekendmaakte, daalde de koers van het aandeel Ahold van tien naar drie euro. Dit klachtonderdeel kan naar het inzicht van SOBI in principe op drie manieren beslist worden.

1. Het College kan dit klachtonderdeel, evenals de Raad van Tucht, gegrond verklaren. Dat zou volgens SOBI een normale uitspraak zijn en het publieke geloof in externe accountantscontrole enigszins kunnen vergroten. Zo’n uitspraak zou geen invloed hebben op de lopende strafzaak in hoger beroep tegen de voormalige Ahold bestuurders. De uitspraak zou wel een positief effect kunnen hebben op de lopende civiele procedure van SOBI en andere aandeelhouders tegen Deloitte Nederland BV, Deloitte US en Michiel Meurs voor de rechtbank Amsterdam.

2. Het College zou kunnen oordelen dat de cijfers van US-Foodservice voldoende zijn gecontroleerd en dat er geen aanleiding bestond om aan die cijfers te twijfelen. Deze beslissing zou volgens SOBI duidelijk maken dat externe accountantscontrole niet een bepaald nut heeft voor beleggers of andere marktpartijen. Dan zou immers vaststaan dat fraude van honderden miljoenen euro’s en de grootste Nederlandse boekhoudfraude aller tijden bij correcte accountantscontrole mogelijk is. De logische conclusie zou dan zijn dat bij correcte accountantscontrole alle denkbare fouten in jaarrekeningen mogelijk zijn en accountantscontrole slechts betekenis heeft voor “diepgelovige” beleggers. Zo ’n uitspraak zou een geweldige steun in de rug zijn voor het standpunt van SOBI dat controle door externe accountants zinloos is en niet langer verplicht moet worden gesteld. Deze beslissing zou geen invloed hebben de lopende strafzaak tegen de voormalige Ahold bestuurders maar wel een licht negatieve invloed kunnen hebben op de civiele procedure die SOBI voor de rechtbank Amsterdam tegen Deloitte voert.

3. Het is ook mogelijk dat het College in het midden laat of de cijfers van US-Foodservice op correcte wijze zijn gecontroleerd maar tot de slotsom komt dat de persoon die zijn handtekening onder de goedkeurende accountantsverklaring heeft gezet tuchtrechtelijk niet verantwoordelijk is voor controle van de cijfers van US-Foodservice omdat het slechts zijn taak was om een capabele Amerikaanse accountant voor de controle aan te wijzen. Ook zo’n uitspraak zou duidelijk maken dat beleggers en andere belanghebbenden geen betekenis kunnen hechten aan een goedkeurende accountantsverklaring. Iedere accountant die een flagrant onjuiste jaarrekening goedkeurt kan zich in dat geval volgens de kleine lettertjes van de beroepsgroep achteraf achter een andere accountant verschuilen.
Deze uitspraak zou geen invloed hebben op de strafprocedure tegen de voormalige bestuurders van Ahold en ook vrijwel geen invloed op de civiele procedure van SOBI tegen Deloitte en Michiel Meurs. De civielrechtelijke verantwoordelijkheid van Deloitte Nederland BV en Deloitte US gaat namelijk verder dan de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van één persoon. Bovendien heeft SOBI begin dit jaar Deloitte US reeds voor de rechtbank Amsterdam gedagvaard. Deloitte US is daar ook verschenen.

Integrale consolidatie
Dit onbelangrijke klachtonderdeel houdt in dat Deloitte integrale consolidatie van joint ventures, waaronder het Zweedse ICA, ten onrechte heeft goedgekeurd. SOBI heeft dit onderdeel in de klacht opgenomen omdat er door het Openbaar Ministerie en dientengevolge door de media zo ongelooflijk veel aandacht aan is besteed dat het vreemd zou overkomen wanneer SOBI aan dit detail helemáál geen aandacht zou besteden. De Raad van Tucht heeft op 12 maart 2007 bepaald dat integrale consolidatie toelaatbaar was en dit klachtonderdeel ongegrond verklaard. SOBI kon zich in de argumentatie van de Raad van Tucht vinden maar is desondanks in beroep gegaan om de vraag ook door de hoogste tuchtrechter te laten beslissen. SOBI zou vrede hebben met afwijzing van dit klachtonderdeel.
De uitspraak op dit klachtonderdeel kan wél invloed hebben op de strafzaak in hoger beroep tegen de oud-bestuurders van Ahold omdat de strafzaak grotendeels op het consolidatievraagstuk is gebaseerd. De uitspraak op dit klachtonderdeel kan geen invloed hebben op de civiele procedure die SOBI bij de rechtbank Amsterdam voor aandeelhouders Ahold voert omdat consolidatie in die procedure niet aan de orde is. Ook de proceskansen van SOBI tegen oud-financieel directeur Michiel Meurs worden door de uitspraak op dit klachtonderdeel niet beïnvloed.

Overwaardering Disco vorderingen
Een volgens SOBI belangrijk klachtonderdeel houdt in dat de directe en indirecte vorderingen van Ahold op haar partners in de Zuid-Amerikaanse joint venture Disco in de jaarrekeningen 1999, 2000 en 2001 vele honderden miljoenen euro’s te hoog zijn gewaardeerd. Toen deze overwaardering medio 2002 in enkele maanden tijd beetje voor beetje bekend werd daalde de koers met ruim € 10 per aandeel. Dit klachtonderdeel is aanvankelijk door de Raad van Tucht ongegrond verklaard. SOBI is in beroep gegaan omdat zij deze overwaardering als een ernstige fout in de jaarrekeningen beschouwt.
De uitspraak op dit klachtonderdeel heeft geen invloed op de strafzaak tegen de oud-bestuurders van Ahold. De uitspraak op dit klachtonderdeel heeft ook geen invloed op de civiele procedure van SOBI en andere aandeelhouders omdat die uitsluitend gebaseerd is op tekortschietende controle bij US-Foodservice.