Ahold/Deloitte
Tekst uitspraak Raad van Tucht Deloitte inzake Ahold
1075/04.09
DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS
EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN
TE 'S-GRAVENHAGE
heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:
Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie (Sobi)
gevestigd te Nieuwersluis,
klaagster
C O N T R A :
L.J. van den Dries RA
kantoorhoudende te Rotterdam,
verweerder,
| gemachtigden: | Prof. mr. H. Beckman, |
| Mr. C.M. Harmsen, | |
| Mr. T. van Wijngaarden, advocaten te Amsterdam. |
1. PROCEDUREVERLOOP
1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de gewisselde stukken, te weten de klacht
van 8 maart 2004, aangevuld bij brief van 17 december 2004, het verweer-
schrift van 21 februari 2005, de repliek van 18 mei 2005, de dupliek van 26 au-
gustus 2005 en de door verweerder op 7 juni 2006 aan de Raad toegezonden stukken.
1.2 De zaak is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 27 november
2006. Ter zitting is mr. P.T. Lakeman namens klaagster verschenen. Voorts is
verweerder verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Door beide partij-
en is een pleitnota overlegd.
2. VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting is, als
tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander
niet of niet voldoende weersproken, of op zichzelf aannemelijk, het volgende komen
vast te staan.
2.1 Verweerder, hierna te noemen: de accountant, is partner van Deloitte Accoun-
tants, althans haar rechtsvoorgangers, hierna te noemen: Deloitte NL.
2.2 Als eindverantwoordelijk partner heeft de accountant namens Deloitte NL de
opdracht uitgevoerd tot controle van de jaarrekeningen 1996-2001 van Ko-
ninklijke Ahold N.V., gevestigd te Zaandam, hierna: Ahold.
2.3 De accountant heeft de jaarrekeningen van Ahold over de boekjaren 1996 tot
en met 2001 van een goedkeurende verklaring voorzien.
2.4 In (een deel van) het tijdvak 1996-2001 heeft Ahold deelbelangen gehad in
onder meer de volgende buitenlandse ondernemingen:
A. de Portugese vennootschap Jerónimo Martins Retail sgps S.A. (hierna:
JMR);
B. de Braziliaanse vennootschap Bompreço S.A. (hierna: Bompreço);
C. de Antilliaanse vennootschap Disco Ahold International Holdings N.V. (hier-
na: DAIH), werkzaam in Midden-Amerika;
D. de Antilliaanse vennootschap Paiz Ahold B.V. (hierna: Paiz Ahold);
E. de Zweedse vennootschap ICA Ahold AB (hierna: ICA Ahold).
2.5 Over deze deelnemingen heeft Ahold op verschillende tijdstippen samenwer-
kingovereenkomsten met de betrokken mede-aandeelhouder(s) gesloten.
2.6 De genoemde deelnemingen zijn in de groepsjaarrekeningen van Ahold als
volgt verantwoord:
| Betrokken Vennoot- schap |
Jaar van acquisitie |
Wijze van verantwoording in de jaarrekening | |||||
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | ||
| JMR | 1992 | A1 | A1 | A1 | A1 | A1 | A1 |
| Bompreço | Dec. 1996 | A2 | A1 | A1 | A1 | B2 | B1 |
| DAIH | 1998 | X | X | A11 | A1 | A1 | A1 |
| Paiz Ahold | Dec. 1996 | X | X | X | A2 | A1 | A1 |
| ICA Ahold | 2000 | X | X | X | X | A1 | A1 |
| A1: | de cijfers van het belang zijn het boekjaar integraal geconsolideerd waarbij rekening is gehouden het met het aandeel van derden daarin; |
|
| A2: | alleen de activa/passiva van het belang zijn in het boekjaar integraal geconsolideerd, waarbij rekening is gehouden met het aandeel van derden daarin; |
|
| B1: | het belang is een 100%-deelneming gedurende het gehele boekjaar en de cijfers ervan zijn integraal geconsolideerd; |
|
| B2: | het belang is gedurende een deel van het boekjaar een 50%-deel- neming en daarna een 100%-deelneming; de cijfers zijn integraal geconsolideerd, waarbij met het aandeel van derden in het resultaat rekening is gehouden over de periode waarin dezen deelnamen. |
|
| X: | nog geen deelneming van Ahold. |
1integrale consolidatie van de cijfers met ingang van het vierde kwar-
taal van 1998.
2.7 In april 2000 heeft Ahold alle aandelen in de Amerikaanse vennootschap
US Foodservice (hierna: USF) verworven.
2.8 Bij de jaarrekeningen tot 2000 van USF heeft KPMG USA, de toenmalige
accountant van USF, goedkeurende verklaringen gegeven.
De cijfers 2000 en 2001 van USF zijn door Deloitte USA gecontroleerd en van
een goedkeurende verklaring voor consolidatiedoeleinden voorzien.
2.9 Ahold heeft USF in haar jaarrekeningen van 2000 respectievelijk 2001 gecon-
solideerd.
2.10 In februari 2003 heeft Deloitte USA bij gelegenheid van een zogeheten
saldobiljettencontrole een grootschalige fraude bij USF aan het licht gebracht.
De fraude bleek zich uit te strekken tot vóór de acquisitie van USF door Ahold.
De fraude bij USF bestond in grote lijnen uit de boeking van fictieve of te hoog
voorgestelde leverancierskortingen, waaronder vermomde vooruitbetalingen.
Frauduleus is hierdoor de kostprijs van de omzet veel te laag voorgesteld en
het resultaat veel te hoog.
3. KLACHT
3.1 De klacht omvat de volgende verwijten:
A. In de geconsolideerde balansen van de jaarrekeningen 1996 t/m 2001 van
Ahold zijn de activa en passiva te hoog weergegeven en in de geconsolideerde
winst- en verliesrekening van deze jaarrekeningen zijn omzet, bruto omzetre-
sultaat, bedrijfsresultaat en resultaat na belastingen te hoog weergegeven.
B. In de jaarrekening 1998 tot en met 2001 zijn belangrijke (voorwaardelijke)
aankoopverplichtingen niet vermeld.
C. In de jaarrekeningen 1999 tot en met 2001 zijn belangrijke aan banken
afgegeven garanties voor de terugbetaling van schulden van een Zuid-
Amerikaanse mede-aandeelhouder niet vermeld.
D. Deloitte heeft de jaarrekeningen 2000 en 2001 goedgekeurd terwijl de admini-
stratie van de naar omzet grootste deelneming (USF) zodanige gebreken ver-
toonde dat daaruit geen betrouwbare conclusies getrokken konden worden
over de grootte van het resultaat of het eigen vermogen van USF en Ahold
zelf.
3.2 In de toelichting op de klacht heeft klaagster, hierna: Sobi, onder meer het
volgende gesteld.
Geen van de deelnemingen JMR, Bompreço, DAIH, Paiz Ahold en ICA Ahold
had volledig geconsolideerd mogen worden. Als controlemiddelen waren
slechts relevant de samenwerkingsovereenkomsten en aandeelhoudersover-
eenkomsten. Ahold had 49% van de aandelen JMR en 50% van de aandelen
Brompeço, DAIH, Paiz Ahold en ICA Ahold. In geen enkel geval had Ahold
doorslaggevende zeggenschap.
Door Ahold tot koop van onroerend goed aangegane verplichtingen uit een
samenwerkingsovereenkomst met de Tsjechische partner Multi Development
Corporation International B.V. zijn ten onrecht niet vermeld in de jaarrekenin-
gen 1996 - 2001 van Ahold.
De call- en putovereenkomst uit 1998 van Ahold met zijn Zuid-Amerikaanse
partner Velox Retail Holdings Inc. (hierna ook: Velox) is ten onrechte niet in de
jaarrekeningen 1998 tot en met 2001 vermeld. De putopties in verband met
Paiz Ahold en ICA Ahold zijn ten onrecht niet vermeld in de jaarrekeningen.
Ten onrechte zijn niet in de jaarrekeningen vermeld de garantstelling van Ahold
in verband met kredieten die de banken in 1999 hebben verstrekt aan Velox.
Bij de aankoop van USF in april 2000 was zowel aan de accountant als aan
Ahold bekend dat de administratie van USF niet deugde. De administratieve
organisatie bij USF vertoonde wezenlijke leemtes. Gezien de tekortkomingen in
de administratie en de administratieve organisatie had de accountant de jaar-
rekeningen 2000 en 2001 van Ahold nimmer van een onvoorwaardelijke goed-
keurende verklaring mogen voorzien.
4. VERWEER
De accountant heeft zich met een uitvoerige motivering tegen de klacht
verweerd, op welk verweer de Raad hierna waar nodig zal ingaan.
5. BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klachtonderdeel A
5.1 Dit onderdeel behelst het verwijt dat de accountant bij de jaarrekeningen 1996-
2001 van Ahold een goedkeurende verklaring heeft afgegeven ondanks volle-
dige consolidatie in de groepsjaarrekeningen van vijf deelnemingen die niet
volledig hadden mogen worden geconsolideerd. Deze klacht is op de zelfde
grond in de reactie op het verweerschrift tijdig uitgebreid met een klacht over
de goedkeuring door verweerder van 20 F formulieren die Ahold bij de Securi-
ties and Exchange Commission (hierna: SEC) in de Verenigde Staten heeft in-
gediend met betrekking tot de jaarrekening 1999. Als grond voor dit klachton-
derdeel is ter zitting mede aangevoerd dat deze verklaring is gegeven, zoals de
accountant ook had gesteld, voordat de tweede groepsbelangverklaring ("con-
trolletter") was ontvangen.
5.2 De Raad zal eerst de vraag bespreken of de accountant het inzicht dat de
omstreden jaarrekeningen van Ahold, met volledige consolidatie van de vijf ge-
noemde deelnemingen, gaven naar Nederlandse maatstaven mocht aanmer-
ken als het wettelijk vereiste inzicht "volgens normen die in het maatschappelijk
verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd", in de bewoordingen van artikel
2:362 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Kort gezegd: was deze weergave in redelijkheid verantwoord?
Vooraf merkt de Raad op dat enkele van deze deelnemingen, zoals blijkt uit
het hiervoor staande schema (onder nummer 2.6), niet in alle betrokken jaren
zijn geconsolideerd, omdat deze pas later hiervoor in aanmerking zijn geko-
men. Hierover is niet geklaagd. In een andere, Bompreço, heeft Ahold in 2000
zijn belang uitgebreid, waarna volledige consolidatie niet meer omstreden was.
De Raad doelt hierna alleen op de situaties waarover wel is geklaagd.
5.3 Ingevolgde artikel 2:409 BW mochten de financiële gegevens van elke van de
omstreden deelnemingen worden opgenomen naar evenredigheid tot het daar-
in door Ahold gehouden belang.
Ingevolgde artikel 2:406 BW moesten de financiële gegevens van deze deelne-
mingen volledig worden geconsolideerd, voor zover zij groepsmaatschappijen
waren. Als groepsmaatschappij mochten zij gelden, indien Ahold zijn stempel
kon drukken op het financiële en commerciële beleid, dus als Ahold een over-
wicht had in de besluitvorming op deze terreinen. Het bestuur van Ahold heeft
de omstreden deelnemingen aangemerkt als groepsmaatschappij en heeft hun
cijfers hierom volledig geconsolideerd. De accountant heeft hierin geen belet-
sel gezien om een goedkeurende verklaring af te geven. Het verschil tussen
beide consolidatiemethoden is dat de groepsomzet, de kosten, het bruto resul-
taat en het balanstotaal van de groep bij volledige consolidatie groter worden
dan bij evenredige consolidatie. Door na volledige consolidatie het aandeel van
derden in het eigen vermogen en in het resultaat afzonderlijk te vermelden,
wordt het verschil teniet gedaan voor wat de andere kerncijfers betreft. Reeds
om deze reden is het verwijt van Sobi ongegrond dat het bedrijfsresultaat en
het resultaat na belastingen onjuist zouden zijn opgenomen in de betrokken
(groeps)jaarrekeningen.
5.4 De accountant heeft over de vraag of Ahold een overwicht had in de besluit-
vorming volgens zijn schriftelijke en mondelinge opgave gelet op de vraag of
Ahold overheersende invloed had op de wijze van financiering, op het gebruik
van systemen en procedures en op de wijze waarop deze deelnemingen waren
georganiseerd als detailhandelsbedrijf. Medewerkers van Deloitte NL deden
hiernaar jaarlijks navraag en kregen een stroom van gegevens van de interne ac-
countantsdiensten van de desbetreffende maatschappijen en opgaven van hun
externe accountants. Zelf sprak de accountant in deze jaren twee maal in Zuid-
Amerika en twee maal in Portugal kort met de president-directeur, de financiële
man, de hoofdboekhouder ("controller") en de externe accountant van de vier
omstreden deelnemingen aldaar. Uit zijn betrokkenheid bij het werk van de
raad van commissarissen van Ahold is hem gebleken dat initiatieven tot over-
neming van andere bedrijven of tot stelselwijziging in deze deelnemingen
steeds uitgingen van Ahold en tot stand kwamen. Ook uit deze ervaring heeft
hij afgeleid dat Ahold, als het erop aan kwam, zijn zin kreeg en dus het nodige
overwicht had om deze deelnemingen aan te merken als groepsmaatschappij.
Een rol speelde vaak dat Ahold niet alleen deelnam in het kapitaal, maar ook
leningen had verstrekt, waardoor de andere aandeelhouder(s) van de betref-
fende deelneming zich van Ahold afhankelijk voelden. De Raad acht het van
belang dat Sobi, ook na lezing van het onderzoeksverslag aan de Onderne-
mingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam, geen aanwijzingen heeft ge-
gegeven die erop wijzen dat ooit in deze jaren een belangrijk initiatief van Ahold
bij een van deze deelnemingen is gestrand of dat Ahold er tegen heug en
meug een keuze van belang heeft moeten slikken.
Tenslotte is de accountant afgegaan op groepsbelangverklaringen die hij se-
dert 17 mei 1999 kende van Bompreço, sinds 14 april 2000 van DAIH en se-
dert 5 mei 2000 van ICA Ahold, dus tijdig voor de volledige consolidatie van
ICA Ahold in de jaarrekeningen van 2000 en 2001; voordien was deze deel-
neming niet geconsolideerd. Op grond van de stellingen en feiten in dit tucht-
geding is de Raad van oordeel dat de accountant tussen de ontvangst van de-
ze verklaring en het geven van de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening
2001 geen reden had te vermoeden dat deze verklaring door een bijbrief werd
ontkracht. Naast haar belang van 50% had Ahold leningen verstrekt, had zij
een bijzondere bevoegdheid over de financieringsstructuur van ICA Ahold en
heeft zij eens de president-directeur vervangen. Dit waren aanwijzingen dat
ICA Ahold toen als groepsmaatschappij mocht worden aangemerkt.
5.5 Gelet op dit alles is de Raad van oordeel dat de accountant voldoende reden
had en voldoende nagegaan had om gefundeerd tot het oordeel te komen dat
het naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar was dat het bestuur van
Ahold de financiële gegevens van deze deelnemingen volledig heeft geconso-
lideerd in de (groeps)jaarrekeningen waarop de klacht betrekking heeft.
5.6 Klaagster heeft nog aangevoerd dat Ahold in de jaarrekeningen vanaf 2002 de
zelfde deelnemingen niet meer volledig heeft geconsolideerd en dat dit een
aanwijzing is dat dit in de omstreden jaarrekeningen ook onverantwoord was.
De Raad is door dit argument niet overtuigd. Na het uitbarsten van het schan-
daal over gebruik van valse, immers door een geheime bijbrief ontkrachte,
groepsbelangverklaringen was de situatie veranderd. Gevreesd moest worden
dat dit schandaal het gezag van Ahold zo ernstig had beschadigd dat betwijfeld
mocht of zelfs moest worden of Ahold daarna het overwicht had behouden dat
voordien was gebleken.
5.7 De Raad zal nu de klacht bespreken over het goedkeuren door de accountant
van 20F formulieren aan de SEC betreffende de jaarrekening 1999. Om in de
Verenigde Staten volledig te mogen consolideren vereist de SEC een geschrift
waaruit blijkt van overwegende zeggenschap, ongeacht de feitelijke verhoudin-
gen. Omdat Ahold de omstreden deelnemingen ook volledig wilde consolideren
in de 20F formulieren, moest het aan dit vereiste voldoen. Het betrof de deel-
nemingen in JMR, Bompreço, DAIH en Paiz Ahold.
Van Bompreço heeft Ahold in 1999 een groepsbelangverklaring ("control
letter") gekregen. Blijkens de beschouwingen van de Raad over de consolidatie
in de Nederlandse groepsjaarrekening had de accountant zich ervan overtuigd
dat de werkelijkheid met die verklaring overeen leek te stemmen. Dat hij in die
situatie die brief voetstoots heeft aanvaard, acht de Raad begrijpelijk en niet
verwijtbaar. Hij had geen reden rekening te houden met de mogelijkheid dat de
verklaring niet vrijwillig was gegeven.
Hetzelfde geldt voor de groepsbelangverklaring die de accountant op 14 april
2000 heeft ontvangen van DAIH.
Sobi heeft nog geklaagd dat de accountant deze verklaring nog niet bezat,
toen hij in maart 2000 de goedkeurende verklaring bij de 20F formulieren gaf,
maar naar het oordeel van de Raad heeft de accountant hiermee, ook tucht-
rechtelijk, een risico aanvaard voor het geval dat die verklaring zou uitblijven.
Zijn verwachting dat die verklaring spoedig zou komen, is echter uitgekomen
en in deze situatie acht de Raad zo'n risicoaanvaarding tuchtrechtelijk niet
verwijtbaar. De Raad is verder van oordeel dat de accountant het verschil tus-
sen volledige consolidatie en hetzij evenredige consolidatie hetzij verantwoor-
ding op nettovermogenswaarde zoals bedoeld in artikel 2:389 BW, van te ver-
waarlozen betekenis mocht achten op het geheel van de jaarrekening, voor zo-
ver dit de deelneming in JMR en in Paiz Ahold gezamenlijk betrof. Wegens de
te verwaarlozen betekenis heeft de accountant, ondanks het ontbreken van een
groepsbelangverklaring van deze twee deelnemingen, bij de 20F formulie-
ren een goedkeurende verklaring afgelegd. De Raad acht dit tuchtrechtelijk niet
verwijtbaar.
5.8 Klachtonderdeel A is dus in alle opzichten opgegrond.
Klachtonderdeel B
5.9 In dit klachtonderdeel wordt erover geklaagd dat de accountant heeft geaccep-